Van dubbelzout tot schoolkrijt: de Nederlander eet 2 kilo drop per jaar. Maar wat is het?

10 comments
  1. Drop smaakt naar drop en in Nederland wordt er jaarlijks een absurde hoeveelheid van gegeten. Maar wat ís het eigenlijk? ’s Lands favoriete snoep kent honderden gedaanten en twee gemene delers: het is gemaakt met zoethout en het roept sterke reacties op.

    Hiske Versprille23 januari 2022, 19:03

    Ik ga een aantal woorden zeggen, laat ze rustig op u inwerken. Emoties als plezier, walging of woede, maar ook trillen, huilen of zweten kunnen én mogen er allemaal zijn. Daar gaan we.

    Dubbelzout. Honingdrop. Manneke pis. Schoolkrijt. Bielzen. Katjes. Salmiakriksen. Droptoffees. Die staafjes uit de Engelse. Wybertjes. Muntdrop. Krakelingen. Gebeurt er al iets?

    Drop, in al z’n verschillende soorten, maten, vormen en smaken, roept vaak een sterke reactie op bij mensen. Zelf begon ik gisteren bijvoorbeeld onbedaarlijk te kwijlen bij het lezen van het woord ‘heksenhyl’ (gesuikerde dropstaafjes met zachte salmiakvulling). Het verrassende is dat ik die niet eens per se heel lekker vind. Het was meer alsof Pavlov zelf in de hoek van de kamer driftig op zijn bel stond te rammen.

    Droptrek komt zelden op die kinderlijk onmiddellijke, goh-heb-ik-zin-in-achtige manier, zoals de behoefte aan saucijzenbroodjes, gesmolten kaas of chocolade een mens ineens kan overvallen. Het is voedsel waarbij je je eigen verlangen ernaar eigenlijk niet goed begrijpt – en dat daarom een des te sterkere greep kan hebben op het gemoed.
    De dropeter kijkt ook anders uit de ogen dan de zorgeloze friet- of bonbonjunk: het is de licht bescheten blik van de koe die bezig is met haar zoute liksteen. ‘Ik weet dat dit er best wel raar uitziet’, zegt ze tegen de andere koeien. ‘Ik weet ook niet wat voor spul dit is, en zelfs niet of ik het per se lekker vind. Ik weet alleen dat ik het moet eten.’
    Willem Klepper, eigenaar van Klepper Zoetwaren op de Alkmaarse markt (‘plus op vrijdagen in Castricum’) observeerde als 15-jarige aspirant-marktkoopman al dat drop heel ander gedrag losmaakt dan andere soorten snoep. ‘Je eet echt niet zomaar even een kilo perendrups of pepermunt weg’, zegt hij, terwijl hij halve manen en salmiakknotsen in een puntzak schept. ‘Maar er zijn echt héél veel mensen die elke week een kilo drop wegwerken. Als ik eens op vakantie ga, kopen ze twee kilo, voor de zekerheid. Toen vorig jaar bekend werd dat Haribo de productie van hun trekdrop had stopgezet, waren er mensen die voor 50 euro insloegen, dozenvol.

    ‘Tja, ik wil niet opscheppen, mevrouw’, Klepper zegt dat meerdere malen – een grappige opmerking gezien zijn hoofdwerkzaamheden –, ‘maar ik heb echt een heel trouwe klantenkring vergaard. Goeie spullen, aardig zijn, een mooie uitstalling… En ik verkoop meer dan hónderd soorten drop om te scheppen, klein spul als pectoraaltjes, zwartwit en stophoest nog niet meegerekend.’

    Er is geen land ter wereld waar zo angstaanjagend veel drop wordt gegeten als hier. Het gaat gemiddeld om 2 kilo per persoon per jaar. Dat is 32 miljoen kilo drop, of achtduizend dropolifanten, of tien olympische zwembaden vol drop, of één dropje per wereldbewoner plus nog drie extra voor elke Nederlander. En dat terwijl de belangrijkste grondstof, de zoethoutplant, hier helemaal niet groeit.

    De Glycyrrhiza glabra, een volle neef van de peulvruchten, is een onopvallend bosje met vezelige wortels dat vooral voorkomt in Azië, maar ook rond de Middellandse Zee. De wortels smaken erg zoet (‘glycyrrhiza’ of licorice betekent ook letterlijk ‘zoete wortel’) door de steroïde-achtige stof glycyrrizinezuur, 50 tot 150 keer zoeter dan tafelsuiker. Ook bevat het zuur aromamoleculen die overeenkomen met die in anijs, kruidnagel, zoete fenegriek en vanille. Zoethout is al millennialang bekend in China en India, de Egyptische farao Toetanchamon nam het mee in zijn tombe en Julius Caesar zou het aan zijn marcherende troepen hebben gegeven, tegen de dorst.

    (Niet zo) typisch Nederlands

    Marieke Hendriksen is wetenschapshistoricus bij NL-Lab, de interdisciplinaire onderzoeksgroep van de KNAW die de Nederlandse cultuur en identiteit onderzoekt. ‘Ik vind het heel interessant hoe bepaalde producten en smaken verbonden raken met de nationale identiteit. Hoewel drop historisch gezien echt niet typisch Nederlands is, denken veel mensen dat wel. Tijdens een postdocproject heb ik me gespecialiseerd in de geschiedenis van de farmacie, en de apotheek was heel lang de enige plek waar je drop en dropachtigen vond.’

    Zoethout werd gezien als medicijn, het zou verzachtend werken bij bijvoorbeeld keelpijn en maagzweren. ‘In de eerste Nederlandstalige encyclopedie, Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant uit de 13de eeuw, staat al een soort droprecept opgetekend: ‘Jeghen die burst die es droghe/ men neme tsaet van macopine/ ende tsap van licorissien fine/ ende van arabia gommi’ (Tegen droge borst neemt men maanzaad, sap van zoethout en Arabische gom).

    ‘Dit was waarschijnlijk een soort likkepot, waarvan je af en toe een schepje kon nemen tegen de hoest.’ Maar dit soort zaken waren ook in Engeland en Duitsland te vinden. Later kwamen er ook tabletjes van het harde, pure en inktzwarte inkooksel van in water getrokken zoethout, dat nu blokdrop wordt genoemd. De bittere en intense Zuid-Italiaanse dropjes-in-blik van Amarelli worden nog steeds zo gemaakt.

    In de 18de eeuw begon men suiker aan het zoethoutinkooksel toe te voegen, waardoor mensen het meer voor hun plezier gingen eten. Hendriksen: ‘Deze snoepjes werden zwarte borstkoekjes genoemd. Begin 18de eeuw werd al wel ‘drop van zoethout’ verhandeld, in de betekenis van ingekookte ‘druppels’. Ergens in de 19de eeuw is de afgekorte naam de eigennaam geworden.’

    Zo komt het dat, in tegenstelling tot in de meeste andere talen, het product in het Nederlands volledig is losgekoppeld van de herkomst. Waar drop in het Engels, Duits en Frans simpelweg ‘zoethout’ heet (respectievelijk licorice, lakritz en réglisse), weten veel Nederlanders helemaal niet waarvan het is gemaakt: drop smaakt gewoon naar drop.

    Voor haar onderzoek maakte Hendriksen ook zelf een 18de-eeuws recept na, met behulp van voedingsmiddelentechnoloog Sander Runia. Hij werkt bij Ruitenberg Basiqs, een bedrijf dat dropextracten voor bijna alle Nederlandse producenten vervaardigt.

    De beste drop

    Op zijn kantoor, op een bedrijventerrein bij Twello, legt Runia met nauwelijks onderdrukte trots iets op tafel dat er in eerste instantie uitziet als een doodgewoon harlekijntje. ‘Dit is ’m, de oerdrop’, zegt hij plechtig. ‘Een kwart zoethoutextract, een kwart Arabische gom en de helft suiker, verder niks.’

    Het dropje heeft een knapperig laagje rond een nog bijna lopende kern en is zo intens van smaak dat iedereen rond de tafel stilvalt. ‘Dit soort percentages kom je eigenlijk vrijwel nooit tegen’, zegt Runia. ‘Goede drop heeft ergens tussen de 3,5 en 4 procent zoethoutextract, maar in Nederland zit vrijwel alles daar ruim onder. In Duitsland mag het niet eens drop heten bij een gehalte onder de 3 procent. Verder gaat er meestal glucosestroop in en gemodificeerd zetmeel, en wordt de drop bijgekleurd met actieve kool. Engelse drop kun je bijna geen drop noemen, die karakteristieke, rins-bittere smaak komt niet van zoethout, maar van rietsuikermelasse.’

    Dropsnobs kijken dus graag naar het zoethoutpercentage, maar ook naar het bindmiddel in hun drop. Arabische gom maakt drop vrij hard, maar smelt bij het eten prachtig weg; het bindt als het ware je speeksel, wat voor een romig mondgevoel zorgt.

  2. Ik woon nu in Engeland. Britten vinden drop heel vies. Vooral zoute drop. Een collega bracht zoute drop rond zonder te zeggen wat het was, het maakte hem nog minder populair dan hij al was.

    Ik probeerde mijn collega’s uit te leggen dat drop in Nederland en Scandinavië heel geliefd is, maar daar snappen Britten dan weer niks van. Ik vind het een interessant cultuurverschil.

  3. Ik had zo’n mattie die snoep vrat alsof het een maaltijd was. Zak autodrop, mjam dat ging in een kwartiertje op. Ik kan daar niet bij man. Maar ja ik ben zelf dan weer het andere extreem, ik snoep alleen als ik wat aangeboden krijg.

Leave a Reply