BGV met terugleiding en vrijheidsberoving

Op 17 oktober 2025 werd een BGV, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving voor burgers van de Unie en hun familieleden conform de artikelen 7, al. 1, 3° en 44 Vw, betekend aan een Duitse Erasmusstudente. Op grond hiervan werd opgesloten in een gesloten centrum.

Volgens het BGV zou de studente op 14 oktober 2025 deelgenomen hebben aan een nationale actiedag in Brussel die ontsierd werd door vandalisme en geweld.  Ze zou door de politie op heterdaad betrapt zijn op feiten van verstoring van de openbare orde, verdachte handelingen, brandstichting en gezichtsbedekking in de openbare ruime. Dit zou aantonen dat de Duitse studente erop uit zou zijn om de samenleving te ontwrichten en te destabiliseren, zodat zij een gevaar zou uitmaken voor de openbare orde. Bovendien zou zij een strafrechtelijk verleden hebben. 

De studente betwistte de in het bevel weergegeven feiten en verklaarde dat zij samen met vrienden was wanneer zij werd gecontroleerd door de politie. Zij weigerde aanvankelijk haar identiteit prijs te geven, doch ten tijde van de manifestatie zat zij opgesloten op het politiekantoor, zodat zij niet deelnam aan de betoging en zich niet schuldig heeft gemaakt aan vandalisme. Evenmin had zij een strafblad.

Op 21 oktober 2025 tekende de studente UDN beroep aan bij de RvV en vroeg de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing. 

Schending motiveringsplicht

De RvV oordeelde in een arrest van 22 oktober 2025 dat aan de drie cumulatieve voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een schorsing bij UDN voldaan was, nl. 

Uiterst dringende noodzakelijkheid

Gezien de studente werd opgesloten in een welbepaalde plaats (bedoeld in art. 74/8 Vw), werd volgens de RvV de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering aangetoond (art. 39/82, §4, tweede lid Vw). 

Volgens de RvV is er sprake van een ernstig middel wegens een schending van de materiële motiveringsplicht. Het bevel steunt zich immers niet op de juiste feiten, zodat dit een schending behelst van de materiële motiveringsplicht.

Zo vermeldde het bevel dat de studente op heterdaad betrapt werd voor feiten van verstoring van de openbare orde, verdachte handelingen, brandstichting en gezichtsbedekking in de openbare ruimte. 

Daarnaast zou zij een strafrechtelijk verleden hebben, zodat de studente een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar zou vormen om een fundamenteel belang van de samenleving te bedreigen. 

De RvV stelt echter vast dat uit het administratief dossier enkel blijkt dat de studente zich mogelijks verdacht heeft gedragen, zij haar gezicht trachtte te bedekken en weigerde haar identiteit kenbaar te maken aan de politie, maar nergens uit blijkt dat zij inderdaad op heterdaad werd betrapt voor brandstichting en gewelddadig gedrag. Al evenmin werd aangetoond dat zij een strafrechtelijk verleden zou hebben. 

De beslissing van DVZ is volgens de RVV dan ook niet correct gemotiveerd. 

Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 

De RvV weerhoudt tenslotte ook het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de studente. 

Volgens de RvV vormt een verwijdering van het grondgebied immers een inmenging in het privéleven van de betrokkene, wat een schending van artikel 8 EVRM kan inhouden.  

DVZ heeft zich bij de belangenafweging in het licht van artikel 8 EVRM gesteund op de overweging dat de studente een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar vormde om een fundamenteel belang van de samenleving te bedreigen, zodat het vrijwaren van de openbare orde primeerde op haar persoonlijke belangen. 

Gezien de aangetoonde ernst van het ingeroepen middel, nl. de schending van de materiële motiveringsplicht, dreigt de studente een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te ondergaan door de uitvoering van het bevel.

De RvV schorste dan ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van het bevel en opsluitingsbeslissing.