‘Als ik ’s ochtends uit mijn bed kom, heb ik al 80 procent van mijn omzet gehaald’, zo leerde mijn opleider mij in het laatste jaar van mijn huisartsopleiding. Hij doelde daarbij op het vaste inschrijftarief dat hij krijgt voor iedere bij hem ingeschreven patiënt. Dit kwartaalbedrag varieert volgend jaar van bijna 19 euro voor patiënten jonger dan 65 jaar tot 52 euro voor patiënten ouder dan 85 jaar. Of een patiënt nu één keer per jaar komt of de deur van de praktijk platloopt, dit bedrag blijft hetzelfde.
Deze basisfinanciering gold lange tijd als voorwaarde voor een sterke en stabiele eerste lijn, maar sinds de opkomst van commerciële ‘plofpraktijken’ vormt juist deze basisfinanciering een lucratief verdienmodel dat de huisartsenzorg bedreigt. Naast de inschrijftarieven behaalt een praktijkhoudend huisarts zijn omzet met consulten, telefoontjes en visites. Dat levert niet erg veel op. Want vanwege de toegenomen salariskosten van personeel en de fors gestegen energieprijzen, zijn de dagelijkse kosten op sommige plekken al hoger dan de dagomzet.
Een voorbeeld: als waarnemend huisarts stuur ik aan het einde van een (ingehuurde) werkdag een factuur met een bedrag dat hoger is dan de omzet die ik heb gedraaid. Ik kost dus meer dan ik oplever. Dat verschil betaalt een praktijkhouder mij uit de eerder genoemde inschrijftarieven. Maar hierin schuilt ook een gevaar.
Want een praktijkhouder zonder verstand van huisartsenzorg of met een gebrekkig moreel kompas, kan ervoor kiezen zijn praktijk te draaien met minder (geschoold) personeel. De doktersassistente wordt geïnstrueerd zo veel mogelijk af te handelen aan de telefoon of, beter nog, wordt vervangen door een ‘triagetool’ waarmee wordt bepaald of een patiënt een digitaal of fysiek consult mag krijgen – en op afstand wordt gehouden.
Verdienmodel
Door überhaupt maximaal in te zetten op digitalisering jaag je de veelgebruikers van huisartsenzorg, zoals armere mensen, allochtonen en ouderen de praktijk uit, zodat de lucratiefste groep patiënten overblijft en groeit: ‘de-zelden-tot-nooitkomers’. Want hoe meer patiënten staan ingeschreven en hoe minder zorgpersoneel aan het werk is, hoe meer winst.
Met de opkomst van commerciële partijen, waar praktijkhouders geen huisarts zijn maar slimme zakenlui, is de huisartsenzorg een verdienmodel geworden. Geen publiek goed of basisvoorziening, maar een winstobject voor commerciële investeerders. Dankzij de bovengenoemde inschrijftarieven loopt een ondernemer weinig risico: de overheid laat hem/de markt z’n gang gaan, toezichthouders komen nauwelijks kijken en zorgverzekeraars zijn tevreden, want die hebben op papier aan hun zorgplicht voldaan.
In gesprekken met huisartsen die bij deze plofpraktijken hebben gewerkt (die ik niet bij naam zal noemen na berichten dat huisartsen die zich hierover negatief uitlaten worden bedreigd met een rechtszaak) klinkt hetzelfde geluid. Patiënten die bellen worden behandeld als ‘last’ en de daar werkzame huisartsen als ‘lastdieren’.
Al gauw gebeuren er drie dingen. Ten eerste neemt de kwaliteit van zorg af. Door de werkdruk kiezen huisartsen de snelste en veiligste zorgverleningsroute die leidt tot dure zorg met onnodige medische onderzoeken en onzinnige verwijzingen. Ten tweede neemt het werkplezier af en het risico op een burn-out toe. Ten derde vertrekken huisartsen vaak snel weer omdat ze het gevoel hebben ‘te werken op de rand van een borrelende vulkaan.’ Ze willen niet aanwezig zijn als de vulkaan uitbarst.
Verantwoordelijkheid
Want het zijn per slot van rekening de huisartsen, en niet de praktijkhoudende zakenman, die verantwoordelijk zijn voor een medische misser – zelfs als die is gemaakt in een volstrekt onverantwoorde zorgsituatie. Door het hoge verloop bij de ketenpraktijken komt de continuïteit van zorg in het geding en tenslotte verdwijnt de ziel uit de huisartsenzorg. De betreffende plofpraktijken verweren zich vervolgens met ‘er is geen personeel te krijgen’. Tja, hoe zou dat nou komen?
Hoe kan het dat we wegkijken terwijl commerciële praktijken met schrale en slecht toegankelijke zorg meer winst maken dan praktijken waar patiënten kunnen rekenen op goede bereikbaarheid en beschikbaarheid van huisartsenzorg? Kennelijk wil de overheid het vermarkten van een basisvoorziening als de huisartsenzorg niet tegenhouden.
Maar dan moet op zijn minst de (basis)financiering worden aangepast. Op dit moment wordt het leveren van goede, toegankelijke huisartsenzorg onvoldoende beloond en lekken jaarlijks tonnen zorggeld weg naar mensen die nog geen wondroos van gordelroos kunnen onderscheiden.’
Danka Stuijver werkt als huisarts. Zij schrijft om de week een wisselcolumn met Harriet Duurvoort.
[https://archive.ph/UqtIK](https://archive.ph/UqtIK)
Ik zou gewoon in bed blijven liggen, die 20% kan me gestolen worden.
En waarom is dit anders dan wat voor andere capitalistische onderneming?
> Een voorbeeld: als waarnemend huisarts stuur ik aan het einde van een (ingehuurde) werkdag een factuur met een bedrag dat hoger is dan de omzet die ik heb gedraaid. Ik kost dus meer dan ik oplever. Dat verschil betaalt een praktijkhouder mij uit de eerder genoemde inschrijftarieven. Maar hierin schuilt ook een gevaar.
Ik snap dit punt niet goed; het inschrijftarief is juist mede bedoeld om een deel van kosten van de zorglevering te dekken.
4 comments
‘Als ik ’s ochtends uit mijn bed kom, heb ik al 80 procent van mijn omzet gehaald’, zo leerde mijn opleider mij in het laatste jaar van mijn huisartsopleiding. Hij doelde daarbij op het vaste inschrijftarief dat hij krijgt voor iedere bij hem ingeschreven patiënt. Dit kwartaalbedrag varieert volgend jaar van bijna 19 euro voor patiënten jonger dan 65 jaar tot 52 euro voor patiënten ouder dan 85 jaar. Of een patiënt nu één keer per jaar komt of de deur van de praktijk platloopt, dit bedrag blijft hetzelfde.
Deze basisfinanciering gold lange tijd als voorwaarde voor een sterke en stabiele eerste lijn, maar sinds de opkomst van commerciële ‘plofpraktijken’ vormt juist deze basisfinanciering een lucratief verdienmodel dat de huisartsenzorg bedreigt. Naast de inschrijftarieven behaalt een praktijkhoudend huisarts zijn omzet met consulten, telefoontjes en visites. Dat levert niet erg veel op. Want vanwege de toegenomen salariskosten van personeel en de fors gestegen energieprijzen, zijn de dagelijkse kosten op sommige plekken al hoger dan de dagomzet.
Een voorbeeld: als waarnemend huisarts stuur ik aan het einde van een (ingehuurde) werkdag een factuur met een bedrag dat hoger is dan de omzet die ik heb gedraaid. Ik kost dus meer dan ik oplever. Dat verschil betaalt een praktijkhouder mij uit de eerder genoemde inschrijftarieven. Maar hierin schuilt ook een gevaar.
Want een praktijkhouder zonder verstand van huisartsenzorg of met een gebrekkig moreel kompas, kan ervoor kiezen zijn praktijk te draaien met minder (geschoold) personeel. De doktersassistente wordt geïnstrueerd zo veel mogelijk af te handelen aan de telefoon of, beter nog, wordt vervangen door een ‘triagetool’ waarmee wordt bepaald of een patiënt een digitaal of fysiek consult mag krijgen – en op afstand wordt gehouden.
Verdienmodel
Door überhaupt maximaal in te zetten op digitalisering jaag je de veelgebruikers van huisartsenzorg, zoals armere mensen, allochtonen en ouderen de praktijk uit, zodat de lucratiefste groep patiënten overblijft en groeit: ‘de-zelden-tot-nooitkomers’. Want hoe meer patiënten staan ingeschreven en hoe minder zorgpersoneel aan het werk is, hoe meer winst.
Met de opkomst van commerciële partijen, waar praktijkhouders geen huisarts zijn maar slimme zakenlui, is de huisartsenzorg een verdienmodel geworden. Geen publiek goed of basisvoorziening, maar een winstobject voor commerciële investeerders. Dankzij de bovengenoemde inschrijftarieven loopt een ondernemer weinig risico: de overheid laat hem/de markt z’n gang gaan, toezichthouders komen nauwelijks kijken en zorgverzekeraars zijn tevreden, want die hebben op papier aan hun zorgplicht voldaan.
In gesprekken met huisartsen die bij deze plofpraktijken hebben gewerkt (die ik niet bij naam zal noemen na berichten dat huisartsen die zich hierover negatief uitlaten worden bedreigd met een rechtszaak) klinkt hetzelfde geluid. Patiënten die bellen worden behandeld als ‘last’ en de daar werkzame huisartsen als ‘lastdieren’.
Al gauw gebeuren er drie dingen. Ten eerste neemt de kwaliteit van zorg af. Door de werkdruk kiezen huisartsen de snelste en veiligste zorgverleningsroute die leidt tot dure zorg met onnodige medische onderzoeken en onzinnige verwijzingen. Ten tweede neemt het werkplezier af en het risico op een burn-out toe. Ten derde vertrekken huisartsen vaak snel weer omdat ze het gevoel hebben ‘te werken op de rand van een borrelende vulkaan.’ Ze willen niet aanwezig zijn als de vulkaan uitbarst.
Verantwoordelijkheid
Want het zijn per slot van rekening de huisartsen, en niet de praktijkhoudende zakenman, die verantwoordelijk zijn voor een medische misser – zelfs als die is gemaakt in een volstrekt onverantwoorde zorgsituatie. Door het hoge verloop bij de ketenpraktijken komt de continuïteit van zorg in het geding en tenslotte verdwijnt de ziel uit de huisartsenzorg. De betreffende plofpraktijken verweren zich vervolgens met ‘er is geen personeel te krijgen’. Tja, hoe zou dat nou komen?
Hoe kan het dat we wegkijken terwijl commerciële praktijken met schrale en slecht toegankelijke zorg meer winst maken dan praktijken waar patiënten kunnen rekenen op goede bereikbaarheid en beschikbaarheid van huisartsenzorg? Kennelijk wil de overheid het vermarkten van een basisvoorziening als de huisartsenzorg niet tegenhouden.
Maar dan moet op zijn minst de (basis)financiering worden aangepast. Op dit moment wordt het leveren van goede, toegankelijke huisartsenzorg onvoldoende beloond en lekken jaarlijks tonnen zorggeld weg naar mensen die nog geen wondroos van gordelroos kunnen onderscheiden.’
Danka Stuijver werkt als huisarts. Zij schrijft om de week een wisselcolumn met Harriet Duurvoort.
[https://archive.ph/UqtIK](https://archive.ph/UqtIK)
Ik zou gewoon in bed blijven liggen, die 20% kan me gestolen worden.
En waarom is dit anders dan wat voor andere capitalistische onderneming?
> Een voorbeeld: als waarnemend huisarts stuur ik aan het einde van een (ingehuurde) werkdag een factuur met een bedrag dat hoger is dan de omzet die ik heb gedraaid. Ik kost dus meer dan ik oplever. Dat verschil betaalt een praktijkhouder mij uit de eerder genoemde inschrijftarieven. Maar hierin schuilt ook een gevaar.
Ik snap dit punt niet goed; het inschrijftarief is juist mede bedoeld om een deel van kosten van de zorglevering te dekken.