‘Geen excuses meer, het zicht op financiers in hoger onderwijs moet er komen’
Het kostte het FD meer dan een jaar onderzoek om te achterhalen wie welke leerstoelen financiert. Universiteiten bleken daar zelf vaak geen goed beeld van te hebben, tot ergernis van onderwijsminister Robbert Dijkgraaf. ‘Hier is geen excuus voor.’
Niet transparant zijn over financiers schaadt de wetenschap, stelt minister en voormalig wetenschapper Robbert Dijkgraaf.
In het kort:
– Onderwijsminister Dijkgraaf juicht de samenwerking tussen financiers van buiten en universiteiten toe, omdat deze veel oplevert aan kennis en ontdekkingen.
-Maar hij schrikt van FD-onderzoek waaruit blijkt dat universiteiten vaak niet scherp hadden welke financiers er meebetalen aan leerstoelen.
– Dijkgraaf betreurt het dat hij zelf de Tweede Kamer ook incorrect heeft geïnformeerd over publiek gefinancierde leerstoelen, en hij roept universiteiten op alle informatie snel en juist te delen.
Bijna zevenhonderd financiers betalen mee aan een vijfde van de hoogleraren in Nederland, zo onthulde het FD dit weekeinde. Universiteiten en hoogleraren zijn over deze financiering weinig transparant. Minister van Onderwijs Robbert Dijkgraaf (D66) stelt in reactie dat academisch onderzoek niet kan zonder kennis en geld vanuit het werkveld. Maar over één ding is hij naar eigen zeggen ‘onverbiddelijk’: als iemand meebetaalt aan de wetenschap, moet dat glashelder zijn.
Universiteiten bleken niet goed te weten welke hoogleraren extern gefinancierd werden en door wie. Het kostte het FD een klein jaar om die informatie helder te krijgen.
‘Daarover ben ik enigszins gefrustreerd en daar is wat mij betreft geen excuus voor. Bij een up to date universiteit hoort dat deze informatie centraal bekend is en correct online staat. Ik vind het kwalijk als het draagvlak voor de wetenschap afkalft. Niet transparant zijn over financiers kan belangenverstrengeling verhullen of op zijn minst de illusie daarvan wekken. Dat voedt wantrouwen en schaadt de wetenschap.’
Hoogleraren bleken zelf in publicaties of in hun online profiel vaak ook niet helder over wie hen betaalt.
‘Dat vind ik onbegrijpelijk. Hoe moeilijk kan het zijn om informatie online te zetten? Dat gesprek ga ik nu steviger voeren met universiteiten. Dat moet wel een gesprek zijn met een uitkomst. Op dit moment wacht ik op een evaluatie over de huidige integriteitscode, die dit regelt. De vraag is of die afdoende werkt. Er zit druk op, vanuit ons en vanuit de maatschappij. En natuurlijk, iets wettelijk regelen blijft een stok achter de deur.’
De Kamer vroeg u recent om een lijst met publiek gefinancierde hoogleraren. De lijst die u stuurde, klopt niet: er staan leerstoelen op die niet bestaan en er ontbreken leerstoelen.
‘Er komt een correctie naar de Tweede Kamer. Heel vervelend. De Kamer moet blind kunnen vertrouwen op informatie die ik deel. Kennelijk kon ik in deze situatie niet vertrouwen op wat ik van de universiteiten kreeg. Informatie waarvan ook ik had gedacht dat die er zo zou zijn, was er kennelijk niet.’
‘Het is in mijn ogen zo’n grote vanzelfsprekendheid om al je financiers te kennen. Ik kan me niet voorstellen dat ik leiding geef aan een grote instelling en niet weet wie er precies meebetalen. Soms zijn er dingen die je bij wet moet doen, maar dit weten is gewoon een kwestie van behoorlijk bestuur.’
‘Ik ben ervan overtuigd dat academici transparantie belangrijk vinden. Maar er is achterstallig onderhoud, bijvoorbeeld in registraties. Die moeten op orde komen, want de overheid en de maatschappij moeten om deze informatie kunnen vragen.’
Als niemand het overzicht heeft op financiers, hoe bewaakt men dan of bepaalde belangen niet te veel invloed krijgen?
‘Dat is waarom ik me hier druk over maak als minister: ons stelsel moet in balans zijn. Ik ga me niet bemoeien met wie een leerstoel krijgt. Maar ik wil wel het academische systeem bewaken. Bijvoorbeeld dat er genoeg hoogleraren overblijven die níet vanuit een bepaalde belanghebbende financier werken, dat er een balans is tussen gewone hoogleraren en van buiten gefinancierde hoogleraren. Bepaalde onderwerpen zijn niet snel interessant voor een belangenclub, zoals snaartheorie, maar wél voor de maatschappij en dus moet er publiek gefinancierd onderzoek blijven. Maar om vast te stellen of de balans goed is, moet eerst helder zijn wie wat financiert.’
Uit het FD-onderzoek blijkt dat er verhoudingsgewijs veel betaalde leerstoelen zijn voor oncologisch onderzoek.
‘Niemand zal daartegen zijn. Maar we moeten dus wel blijven opletten dat ook andere ziekten voldoende onderzoekstijd houden.’
Ook tweehonderd bedrijven betalen hoogleraren. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Ik wil dat zij bijdragen aan academisch onderzoek, dat is een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Het is niet kwalijk als zij onderzoekscapaciteit gebruiken die ze zelf niet hebben. Een ASML of de farmaceutische industrie gebruiken ontdekkingen, technologie en kennis van universiteiten voor belangrijke zaken als chipmachines en medicijnontwikkeling.’
‘Extern gefinancierde leerstoelen kunnen een toevoeging zijn op wat je als universiteit aan onderzoek kan doen. Het is een extra ‘topping’. Maar universiteiten moeten goed afwegen of ze zo’n leerstoel van toegevoegde waarde vinden op hun aanbod, en scherpe afspraken maken over kwaliteit en onafhankelijkheid.’
‘Natuurlijk, een stichting hart- en vaatziekten die een leerstoel instelt zal eisen dat het onderzoek zich richt op hun thema en niet ineens op, bijvoorbeeld, muziekgeschiedenis. Die invloed is acceptabel, mits de onafhankelijkheid en vrijheid van onderzoek is gewaarborgd.’
Het kostte dikwijls moeite om te achterhalen wie echt de financier is van een leerstoel. Bij enkele tientallen is dat het FD nog altijd niet gelukt. Hoe weten universiteiten dan waar dat geld vandaan komt?
‘Om dat beeld te nuanceren: vaak zal dat onschuldig zijn, dan is het een kleine stichting bijvoorbeeld, opgericht voor meer cultuuronderzoek. Maar het kan een veiligheidsaspect hebben. Kennisveiligheid is belangrijk nu universiteiten beducht moeten zijn op buitenlandse beïnvloeding of spionage. Keer op keer blijkt dat ze nog steeds onvoldoende weten waar geld vandaan komt. Dat kan echt niet meer.’
Moeten alle financiers even welkom zijn? De tabaksindustrie ging al in de ban, nu woedt een discussie rondom financiering vanuit de fossiele-brandstoffenindustrie.
‘Dat wetenschappers vragen stellen als “willen we wel geld krijgen van deze stichting, of deze oliemaatschappij?”, is belangrijk. Die kun je alleen stellen als je weet wie er betaalt.’
‘Maar als minister moet ik me niet uitspreken over welke financier goed is en welke niet. Als ik die verantwoordelijkheid neem, kijken universiteiten straks naar de minister voor dergelijke besluiten. Ze moeten juist in alle onafhankelijkheid weloverwogen keuzes kunnen maken. Anders zit er straks een minister van een politiek andere kleur en die gaat zich weer anders met dit soort keuzes bemoeien. Dat moeten we echt niet willen.’
Als de overheid nou zelf voldoende zou financieren, was dit natuurlijk een veel kleiner probleem geweest.
Ik wil ook wel ‘ns wat. Ik ben vooral benieuwd naar de wettelijke basis hiervoor, weet iemand toevallig of die er is? Als dat ontbreekt dan kan de minister natuurlijk roepen wat hij wilt…
Wel bijzonder. Ik dacht dat er door de afschaffing van de basisbeurs juist geld in het onderwijs gestoken werd en goede docenten betaald konden worden.
Bah, wat krijg ik hier een vieze smaak van in mijn mond. De dag dat het het parlement nodig hebben om in te grijpen om de universiteit integer te maken is een dag dat we ons diep mogen schamen als wetenschappers.
Wel fijn dat we nu misschien verandering zien. Dit is zonder twijfel een consequentie van het studentenactivisme wat we de laatste tijd hebben gezien met oa bezettingen. Chapeau voor de studenten die zich daarvoor hebben ingezet!
5 comments
‘Geen excuses meer, het zicht op financiers in hoger onderwijs moet er komen’
Het kostte het FD meer dan een jaar onderzoek om te achterhalen wie welke leerstoelen financiert. Universiteiten bleken daar zelf vaak geen goed beeld van te hebben, tot ergernis van onderwijsminister Robbert Dijkgraaf. ‘Hier is geen excuus voor.’
Niet transparant zijn over financiers schaadt de wetenschap, stelt minister en voormalig wetenschapper Robbert Dijkgraaf.
In het kort:
– Onderwijsminister Dijkgraaf juicht de samenwerking tussen financiers van buiten en universiteiten toe, omdat deze veel oplevert aan kennis en ontdekkingen.
-Maar hij schrikt van FD-onderzoek waaruit blijkt dat universiteiten vaak niet scherp hadden welke financiers er meebetalen aan leerstoelen.
– Dijkgraaf betreurt het dat hij zelf de Tweede Kamer ook incorrect heeft geïnformeerd over publiek gefinancierde leerstoelen, en hij roept universiteiten op alle informatie snel en juist te delen.
Bijna zevenhonderd financiers betalen mee aan een vijfde van de hoogleraren in Nederland, zo onthulde het FD dit weekeinde. Universiteiten en hoogleraren zijn over deze financiering weinig transparant. Minister van Onderwijs Robbert Dijkgraaf (D66) stelt in reactie dat academisch onderzoek niet kan zonder kennis en geld vanuit het werkveld. Maar over één ding is hij naar eigen zeggen ‘onverbiddelijk’: als iemand meebetaalt aan de wetenschap, moet dat glashelder zijn.
Universiteiten bleken niet goed te weten welke hoogleraren extern gefinancierd werden en door wie. Het kostte het FD een klein jaar om die informatie helder te krijgen.
‘Daarover ben ik enigszins gefrustreerd en daar is wat mij betreft geen excuus voor. Bij een up to date universiteit hoort dat deze informatie centraal bekend is en correct online staat. Ik vind het kwalijk als het draagvlak voor de wetenschap afkalft. Niet transparant zijn over financiers kan belangenverstrengeling verhullen of op zijn minst de illusie daarvan wekken. Dat voedt wantrouwen en schaadt de wetenschap.’
Hoogleraren bleken zelf in publicaties of in hun online profiel vaak ook niet helder over wie hen betaalt.
‘Dat vind ik onbegrijpelijk. Hoe moeilijk kan het zijn om informatie online te zetten? Dat gesprek ga ik nu steviger voeren met universiteiten. Dat moet wel een gesprek zijn met een uitkomst. Op dit moment wacht ik op een evaluatie over de huidige integriteitscode, die dit regelt. De vraag is of die afdoende werkt. Er zit druk op, vanuit ons en vanuit de maatschappij. En natuurlijk, iets wettelijk regelen blijft een stok achter de deur.’
De Kamer vroeg u recent om een lijst met publiek gefinancierde hoogleraren. De lijst die u stuurde, klopt niet: er staan leerstoelen op die niet bestaan en er ontbreken leerstoelen.
‘Er komt een correctie naar de Tweede Kamer. Heel vervelend. De Kamer moet blind kunnen vertrouwen op informatie die ik deel. Kennelijk kon ik in deze situatie niet vertrouwen op wat ik van de universiteiten kreeg. Informatie waarvan ook ik had gedacht dat die er zo zou zijn, was er kennelijk niet.’
‘Het is in mijn ogen zo’n grote vanzelfsprekendheid om al je financiers te kennen. Ik kan me niet voorstellen dat ik leiding geef aan een grote instelling en niet weet wie er precies meebetalen. Soms zijn er dingen die je bij wet moet doen, maar dit weten is gewoon een kwestie van behoorlijk bestuur.’
‘Ik ben ervan overtuigd dat academici transparantie belangrijk vinden. Maar er is achterstallig onderhoud, bijvoorbeeld in registraties. Die moeten op orde komen, want de overheid en de maatschappij moeten om deze informatie kunnen vragen.’
Als niemand het overzicht heeft op financiers, hoe bewaakt men dan of bepaalde belangen niet te veel invloed krijgen?
‘Dat is waarom ik me hier druk over maak als minister: ons stelsel moet in balans zijn. Ik ga me niet bemoeien met wie een leerstoel krijgt. Maar ik wil wel het academische systeem bewaken. Bijvoorbeeld dat er genoeg hoogleraren overblijven die níet vanuit een bepaalde belanghebbende financier werken, dat er een balans is tussen gewone hoogleraren en van buiten gefinancierde hoogleraren. Bepaalde onderwerpen zijn niet snel interessant voor een belangenclub, zoals snaartheorie, maar wél voor de maatschappij en dus moet er publiek gefinancierd onderzoek blijven. Maar om vast te stellen of de balans goed is, moet eerst helder zijn wie wat financiert.’
Uit het FD-onderzoek blijkt dat er verhoudingsgewijs veel betaalde leerstoelen zijn voor oncologisch onderzoek.
‘Niemand zal daartegen zijn. Maar we moeten dus wel blijven opletten dat ook andere ziekten voldoende onderzoekstijd houden.’
Ook tweehonderd bedrijven betalen hoogleraren. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Ik wil dat zij bijdragen aan academisch onderzoek, dat is een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Het is niet kwalijk als zij onderzoekscapaciteit gebruiken die ze zelf niet hebben. Een ASML of de farmaceutische industrie gebruiken ontdekkingen, technologie en kennis van universiteiten voor belangrijke zaken als chipmachines en medicijnontwikkeling.’
‘Extern gefinancierde leerstoelen kunnen een toevoeging zijn op wat je als universiteit aan onderzoek kan doen. Het is een extra ‘topping’. Maar universiteiten moeten goed afwegen of ze zo’n leerstoel van toegevoegde waarde vinden op hun aanbod, en scherpe afspraken maken over kwaliteit en onafhankelijkheid.’
‘Natuurlijk, een stichting hart- en vaatziekten die een leerstoel instelt zal eisen dat het onderzoek zich richt op hun thema en niet ineens op, bijvoorbeeld, muziekgeschiedenis. Die invloed is acceptabel, mits de onafhankelijkheid en vrijheid van onderzoek is gewaarborgd.’
Het kostte dikwijls moeite om te achterhalen wie echt de financier is van een leerstoel. Bij enkele tientallen is dat het FD nog altijd niet gelukt. Hoe weten universiteiten dan waar dat geld vandaan komt?
‘Om dat beeld te nuanceren: vaak zal dat onschuldig zijn, dan is het een kleine stichting bijvoorbeeld, opgericht voor meer cultuuronderzoek. Maar het kan een veiligheidsaspect hebben. Kennisveiligheid is belangrijk nu universiteiten beducht moeten zijn op buitenlandse beïnvloeding of spionage. Keer op keer blijkt dat ze nog steeds onvoldoende weten waar geld vandaan komt. Dat kan echt niet meer.’
Moeten alle financiers even welkom zijn? De tabaksindustrie ging al in de ban, nu woedt een discussie rondom financiering vanuit de fossiele-brandstoffenindustrie.
‘Dat wetenschappers vragen stellen als “willen we wel geld krijgen van deze stichting, of deze oliemaatschappij?”, is belangrijk. Die kun je alleen stellen als je weet wie er betaalt.’
‘Maar als minister moet ik me niet uitspreken over welke financier goed is en welke niet. Als ik die verantwoordelijkheid neem, kijken universiteiten straks naar de minister voor dergelijke besluiten. Ze moeten juist in alle onafhankelijkheid weloverwogen keuzes kunnen maken. Anders zit er straks een minister van een politiek andere kleur en die gaat zich weer anders met dit soort keuzes bemoeien. Dat moeten we echt niet willen.’
Als de overheid nou zelf voldoende zou financieren, was dit natuurlijk een veel kleiner probleem geweest.
Ik wil ook wel ‘ns wat. Ik ben vooral benieuwd naar de wettelijke basis hiervoor, weet iemand toevallig of die er is? Als dat ontbreekt dan kan de minister natuurlijk roepen wat hij wilt…
Wel bijzonder. Ik dacht dat er door de afschaffing van de basisbeurs juist geld in het onderwijs gestoken werd en goede docenten betaald konden worden.
Bah, wat krijg ik hier een vieze smaak van in mijn mond. De dag dat het het parlement nodig hebben om in te grijpen om de universiteit integer te maken is een dag dat we ons diep mogen schamen als wetenschappers.
Wel fijn dat we nu misschien verandering zien. Dit is zonder twijfel een consequentie van het studentenactivisme wat we de laatste tijd hebben gezien met oa bezettingen. Chapeau voor de studenten die zich daarvoor hebben ingezet!