Nu de poppetjes wisselen is een nieuwe politieke consensus nodig
Begin juli nam Renske Leijten na zeventien jaar afscheid als Tweede Kamerlid. Inmiddels blijkt Leijten niet de enige die afscheid neemt. Daarom is dit het ideale moment om de managementcultuur die de afgelopen jaren de politieke regeerde vaarwel te zeggen.
Na de val van kabinet-Rutte IV, het vertrek van onder andere Mark Rutte en Sigrid Kaag uit de politiek én de verwachte komst van een generatie nieuwe lijsttrekkers bij coalitie- en oppositiepartijen, komt er ruimte. Ruimte voor andere politiek, een andere aanpak en andere zwaartepunten in de politieke mores dan we de afgelopen jaren zagen.
Hoe iemand die ruimte invult, hangt in hoge mate af van diens mens- en wereldbeeld en de onderliggende politieke ideologie waar iemand voor staat. Uiteindelijk werkt elke politicus vanuit een ideologische grondslag, hoezeer sommigen dat ook ontkennen. Het is daarom goed om nu, in de aanloop naar nieuwe Tweede Kamerverkiezingen, een nieuwe common ground vorm te geven; morele principes die de basis horen te zijn van de leiders van ons land.
Managementcultuur
Als minister-president had Mark Rutte een grote vaardigheid: de politiek als praktisch en niet-ideologisch presenteren. ‘Doen wat nodig is’ is een adagium waar niemand aanstoot aan kan nemen, net als overigens ‘Nu aanpakken’ of ‘Nu vooruit’. Maar hoe praktisch iets ook wordt gepresenteerd, of hoe pragmatisch een veel gebruikte aanduiding ook klinkt: niemand ontkent dat er de afgelopen jaren veel problemen niet zijn opgelost.
Of het nu de aanpak van de stikstofuitstoot was, herziening van de jeugdzorg, het toeslagenstelsel verbeteren óf afschaffen: het afgelopen jaar passeerden meerdere grote problemen de revue. Hoe we deze zaken organiseren zegt veel over het onderliggende wereldbeeld. Van een voormalig SP-Kamerlid is het niet verwonderlijk om te horen dat de markt vele problemen niet heeft opgelost; de erkenning dat de overheid dat ook niet deed krijgt u er direct bij. Waarom? Elke voorgestelde oplossing leek meer op probleemmanagement dan op echte keuzes maken.
Het tragische is dat we moeten constateren dat door het ontbreken van keuzes we de afgelopen jaren juist bezig zijn geweest om van het ene onderzoek naar het andere adviescollege te gaan. Wanneer een oplossing nog niet rijp is – door gebrek aan overeenstemming of een gebrek aan draagvlak – is tijd kopen met een onderzoek of het uitvragen van een advies een manier om te zorgen dat een onderwerp ‘op het vuur’ blijft zonder dat het verpietert, verbrandt of wordt weggegooid.
Wensen van de Tweede Kamer worden, lopende een onderzoek, gepareerd met de vaststelling ‘we kijken er naar’. Waar iedereen bijvoorbeeld al lang zag dat toeslagenouders geen toegang hadden tot het rechtssysteem omdat de vergoeding voor sociaal advocaten ontbrak, wachtte de regering lang op een wetenschappelijk onderzoek om dit te bevestigen. Na tweeënhalf jaar kwamen wetenschappers met de conclusie dat de sociaal advocatuur onbereikbaar is voor zij die een sociaal advocaat nodig hebben. Hiermee heeft het oplossen van de problemen tweeënhalf jaar stilgelegen – de sociaal advocatuur werd niet gered of afgeschaft, maar aan hun lot overgelaten.
Onduidelijke belangen
Een van de problemen die ten grondslag ligt aan de niet-oplossingen van de afgelopen jaren is dat niet altijd duidelijk is welke politieke meerderheid nu precies op welke manier het algemeen belang diende. De wisselende regeringscoalities steunden regelmatig op meerdere oppositiepartijen. Daardoor vertroebelde het doel dat men met een oplossing voor ogen had. Het is bijvoorbeeld gemakkelijk om een uur of twee te spreken over ‘menselijke zorg’, maar als je vraagt wat daarmee wordt bedoeld zegt de ene partij dat de bureaucratie in zijn geheel moet verdwijnen en de andere juist dat we goed moeten bijhouden hoeveel iemand menselijk contact heeft.
Verkiezingstijd is bij uitstek de tijd om te bedenken welke partij het beste bij de iemand past. Hiervoor moet wel méér aangereikt worden dan stemwijzers of televisiedebatten met maar één stelling en amper tijd om te antwoorden. Is veiligheid een taak van de overheid of is het prima dat de wereld van de private beveiliging oprukt en steeds meer taken – sluipenderwijs – overneemt? Is een bestaansminimum nodig, en hoe hoog moet dat zijn? De keuze of we aan personen individuele toeslagen toekennen, of we bijvoorbeeld de zorgpremie inkomensafhankelijk maken of we de kinderopvang gratis maken is in hoge mate ideologisch. Hoe praktisch ‘(bijna) gratis kinderopvang’ ook klinkt, het maakt nogal uit of dat wordt geregeld met een individuele toeslag of door er een reguliere voorziening van te maken zoals andere voorzieningen in onze maatschappij.
Niets is zo lastig als het doorbreken van oude gewoonten. Politiek die als management wordt gepresenteerd, zonder dat duidelijk wordt wat de afwegingen en belangen waren, verhult dat er harde keuzes zijn gemaakt. Bij politieke keuzes ‘winnen’ of ‘verliezen’ partijen namelijk iets, of ze ruilen iets uit.
1 comment
Nu de poppetjes wisselen is een nieuwe politieke consensus nodig
Begin juli nam Renske Leijten na zeventien jaar afscheid als Tweede Kamerlid. Inmiddels blijkt Leijten niet de enige die afscheid neemt. Daarom is dit het ideale moment om de managementcultuur die de afgelopen jaren de politieke regeerde vaarwel te zeggen.
Na de val van kabinet-Rutte IV, het vertrek van onder andere Mark Rutte en Sigrid Kaag uit de politiek én de verwachte komst van een generatie nieuwe lijsttrekkers bij coalitie- en oppositiepartijen, komt er ruimte. Ruimte voor andere politiek, een andere aanpak en andere zwaartepunten in de politieke mores dan we de afgelopen jaren zagen.
Hoe iemand die ruimte invult, hangt in hoge mate af van diens mens- en wereldbeeld en de onderliggende politieke ideologie waar iemand voor staat. Uiteindelijk werkt elke politicus vanuit een ideologische grondslag, hoezeer sommigen dat ook ontkennen. Het is daarom goed om nu, in de aanloop naar nieuwe Tweede Kamerverkiezingen, een nieuwe common ground vorm te geven; morele principes die de basis horen te zijn van de leiders van ons land.
Managementcultuur
Als minister-president had Mark Rutte een grote vaardigheid: de politiek als praktisch en niet-ideologisch presenteren. ‘Doen wat nodig is’ is een adagium waar niemand aanstoot aan kan nemen, net als overigens ‘Nu aanpakken’ of ‘Nu vooruit’. Maar hoe praktisch iets ook wordt gepresenteerd, of hoe pragmatisch een veel gebruikte aanduiding ook klinkt: niemand ontkent dat er de afgelopen jaren veel problemen niet zijn opgelost.
Of het nu de aanpak van de stikstofuitstoot was, herziening van de jeugdzorg, het toeslagenstelsel verbeteren óf afschaffen: het afgelopen jaar passeerden meerdere grote problemen de revue. Hoe we deze zaken organiseren zegt veel over het onderliggende wereldbeeld. Van een voormalig SP-Kamerlid is het niet verwonderlijk om te horen dat de markt vele problemen niet heeft opgelost; de erkenning dat de overheid dat ook niet deed krijgt u er direct bij. Waarom? Elke voorgestelde oplossing leek meer op probleemmanagement dan op echte keuzes maken.
Het tragische is dat we moeten constateren dat door het ontbreken van keuzes we de afgelopen jaren juist bezig zijn geweest om van het ene onderzoek naar het andere adviescollege te gaan. Wanneer een oplossing nog niet rijp is – door gebrek aan overeenstemming of een gebrek aan draagvlak – is tijd kopen met een onderzoek of het uitvragen van een advies een manier om te zorgen dat een onderwerp ‘op het vuur’ blijft zonder dat het verpietert, verbrandt of wordt weggegooid.
Wensen van de Tweede Kamer worden, lopende een onderzoek, gepareerd met de vaststelling ‘we kijken er naar’. Waar iedereen bijvoorbeeld al lang zag dat toeslagenouders geen toegang hadden tot het rechtssysteem omdat de vergoeding voor sociaal advocaten ontbrak, wachtte de regering lang op een wetenschappelijk onderzoek om dit te bevestigen. Na tweeënhalf jaar kwamen wetenschappers met de conclusie dat de sociaal advocatuur onbereikbaar is voor zij die een sociaal advocaat nodig hebben. Hiermee heeft het oplossen van de problemen tweeënhalf jaar stilgelegen – de sociaal advocatuur werd niet gered of afgeschaft, maar aan hun lot overgelaten.
Onduidelijke belangen
Een van de problemen die ten grondslag ligt aan de niet-oplossingen van de afgelopen jaren is dat niet altijd duidelijk is welke politieke meerderheid nu precies op welke manier het algemeen belang diende. De wisselende regeringscoalities steunden regelmatig op meerdere oppositiepartijen. Daardoor vertroebelde het doel dat men met een oplossing voor ogen had. Het is bijvoorbeeld gemakkelijk om een uur of twee te spreken over ‘menselijke zorg’, maar als je vraagt wat daarmee wordt bedoeld zegt de ene partij dat de bureaucratie in zijn geheel moet verdwijnen en de andere juist dat we goed moeten bijhouden hoeveel iemand menselijk contact heeft.
Verkiezingstijd is bij uitstek de tijd om te bedenken welke partij het beste bij de iemand past. Hiervoor moet wel méér aangereikt worden dan stemwijzers of televisiedebatten met maar één stelling en amper tijd om te antwoorden. Is veiligheid een taak van de overheid of is het prima dat de wereld van de private beveiliging oprukt en steeds meer taken – sluipenderwijs – overneemt? Is een bestaansminimum nodig, en hoe hoog moet dat zijn? De keuze of we aan personen individuele toeslagen toekennen, of we bijvoorbeeld de zorgpremie inkomensafhankelijk maken of we de kinderopvang gratis maken is in hoge mate ideologisch. Hoe praktisch ‘(bijna) gratis kinderopvang’ ook klinkt, het maakt nogal uit of dat wordt geregeld met een individuele toeslag of door er een reguliere voorziening van te maken zoals andere voorzieningen in onze maatschappij.
Niets is zo lastig als het doorbreken van oude gewoonten. Politiek die als management wordt gepresenteerd, zonder dat duidelijk wordt wat de afwegingen en belangen waren, verhult dat er harde keuzes zijn gemaakt. Bij politieke keuzes ‘winnen’ of ‘verliezen’ partijen namelijk iets, of ze ruilen iets uit.