Voor het eerst in twee jaar tijd stijgen de prijzen niet sneller dan de (cao)lonen. Na een bovengemiddelde daling van het reële loon, is Nederland nu juist een van de weinige landen waar de salarisverhogingen de inflatie kunnen bijbenen
Voor het eerst in 2 jaar houden de lonen de stijgende prijzen bij
Het is sinds medio 2021 niet meer voorgekomen: de lonen stijgen in Nederland evenveel als de prijzen. Boodschappen en energie zijn in die tijd ongekend veel duurder geworden, en de lonen bleven ver achter. Twee jaar lang was de jaarlijkse loonsverhoging bij lange na niet genoeg om het snel duurder worden van het dagelijks leven te compenseren. Nu komt daar voorzichtig verandering in.
In het tweede kwartaal van dit jaar waren de cao-uurlonen 5,7 procent hoger dan een jaar eerder en de inflatie kwam op exact hetzelfde percentage uit, blijkt uit een analyse van nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Hiermee komt de reële loonstijging (de salarisverhogingen minus de prijsstijgingen) voor het eerst sinds 2021 weer boven de nullijn uit. Toch zullen veel werknemers nog moeite hebben met rondkomen. Vorig jaar zomer was het gat het grootst, de prijzen waren toen ruim 12 procent gestegen in een jaar tijd, en de lonen nog geen 4 procent. Dit was geen eenmalige uitschieter: tussen eind 2019 en eind 2022 daalden de reële lonen in totaal met ruim 7 procent
De koopkracht van consumenten ging door deze combinatie van hoge prijzen en achterblijvende salarissen ook achteruit. Maar de overheid wist de bestedingsruimte voor consumenten met verschillende maatregelen te stutten. Hierdoor bleef er netto meer over van het bruto salaris. Maar ook viel de energierekening lager uit dankzij het prijsplafond. Daarnaast wisten veel Nederlanders hun eigen koopkracht op te krikken: de werkloosheid was op een historisch laag niveau en veel werknemers werkten meer uren. Alles bij elkaar resulteerde dat volgens het Centraal Planbureau (CPB) in 2022 tot een koopkrachtdaling van 2,7 procent voor een doorsnee huishouden in Nederland.
Nederland loopt grote loonachterstand sneller in dan gemiddeld
Met het herstel van het reële loon loopt Nederland voorop in Europa. Tot eind 2022 was het gat tussen loon en inflatie juist groter dan in veel andere landen. De lonen stegen niet veel langzamer dan elders, maar vooral de hoge (energie-)inflatie leidde tot een lager reëel loon dan in de meeste Oeso-landen.
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) berekende in het eerste kwartaal voor alle lonen (inclusief werknemers die niet onder een cao vallen) al een klein plusje voor Nederland, een reële loonstijging van 0,4 procent ten opzichte van het jaar daarvoor.
Met deze stijging is Nederland een uitzondering, in de meeste Europese Oeso-landen is de loonstijging ten opzichte van een jaar eerder nog fors lager dan de inflatie. Alleen België, waar in veel contracten automatische prijscompensatie is vastgelegd, bleef Nederland voor met een reële loonstijging van 2,4 procent.
Dat Nederland boven de nullijn komt, ligt niet alleen aan het afkoelen van de inflatie. Ook de Nederlandse lonen stijgen sinds enkele maanden gemiddeld sneller. Oeso-econoom Andrea Salvatori noemt twee oorzaken voor de snelle Nederlandse inhaalrace: ‘De verhoging van de minimumlonen in januari heeft waarschijnlijk een significante rol gespeeld. Daarnaast worden in Nederland arbeidsovereenkomsten over het algemeen elk jaar heronderhandeld, in Duitsland bijvoorbeeld zit er meer tijd tussen onderhandelingen.’
Toch is de Nederlandse situatie volgens Salvatori nog niet in evenwicht na één kwartaal van reële loonstijging: ‘De reële lonen zijn ook in Nederland de afgelopen jaren flink gedaald en net als elders lijkt er ruimte te zitten in de winstmarges van bedrijven om dit in ieder geval voor de laagstbetaalden deels te compenseren zonder de prijzen onder druk te zetten.’
Komende maanden lonkt nog meer herstel
Veel werknemers kunnen nog een fikse loonsverhoging tegemoet zien. In cao’s die dit jaar zijn afgesloten, is een loonstijging van circa 8 procent afgesproken; nog een stuk hoger dus dan de 5,7 procent van het afgelopen jaar. De onderhandelingsresultaten vlogen omhoog in de afgelopen maanden. In 2022 was de onderhandelde loonsverhoging gemiddeld nog onder de 4 procent. De laatste maanden blijven de resultaten vrij constant. ‘Maar de loonsverhogingen zijn nog wel op historische hoogte’, zegt Jannes van der Velde van Werkgeversvereniging AWVN. ‘Onze zorg of bedrijven dit aankunnen is nog lang niet weg.’ Van der Velde wijst erop dat de winstcijfers gemiddelden zijn, ‘en overvragen kan zich ook tegen de werknemer keren, als dit ten koste gaat van het bedrijf’.
Ook De Nederlandsche Bank (DNB) waarschuwt voor te hoge lonen: ‘Als loonstijgingen boven de 7 procent de trend worden, dan wordt het terugbrengen van de inflatie gecompliceerder’, aldus de woordvoerder.
DNB voorspelt dat de inflatie voor het hele jaar 2023 uitkomt op 4,2 procent en dat de loongroei nog wel doorzet. ‘In 2024 ramen we 5,4 procent loonstijging en in 2025 3,7 procent.’ DNB spreekt van een ‘kantelpunt’, dat enige tijd op zich liet wachten, doordat prijzen sneller aangepast kunnen worden dan lonen. De lonen zullen in 2025 ten opzichte van 2021 nog ruim 2 procentpunt achterblijven bij de prijzen, verwacht de centrale bank. ‘Het reële-loonverlies van 2022 en 2023 zal niet geheel worden goedgemaakt.’
1 comment
Voor het eerst in twee jaar tijd stijgen de prijzen niet sneller dan de (cao)lonen. Na een bovengemiddelde daling van het reële loon, is Nederland nu juist een van de weinige landen waar de salarisverhogingen de inflatie kunnen bijbenen
Voor het eerst in 2 jaar houden de lonen de stijgende prijzen bij
Het is sinds medio 2021 niet meer voorgekomen: de lonen stijgen in Nederland evenveel als de prijzen. Boodschappen en energie zijn in die tijd ongekend veel duurder geworden, en de lonen bleven ver achter. Twee jaar lang was de jaarlijkse loonsverhoging bij lange na niet genoeg om het snel duurder worden van het dagelijks leven te compenseren. Nu komt daar voorzichtig verandering in.
In het tweede kwartaal van dit jaar waren de cao-uurlonen 5,7 procent hoger dan een jaar eerder en de inflatie kwam op exact hetzelfde percentage uit, blijkt uit een analyse van nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Hiermee komt de reële loonstijging (de salarisverhogingen minus de prijsstijgingen) voor het eerst sinds 2021 weer boven de nullijn uit. Toch zullen veel werknemers nog moeite hebben met rondkomen. Vorig jaar zomer was het gat het grootst, de prijzen waren toen ruim 12 procent gestegen in een jaar tijd, en de lonen nog geen 4 procent. Dit was geen eenmalige uitschieter: tussen eind 2019 en eind 2022 daalden de reële lonen in totaal met ruim 7 procent
De koopkracht van consumenten ging door deze combinatie van hoge prijzen en achterblijvende salarissen ook achteruit. Maar de overheid wist de bestedingsruimte voor consumenten met verschillende maatregelen te stutten. Hierdoor bleef er netto meer over van het bruto salaris. Maar ook viel de energierekening lager uit dankzij het prijsplafond. Daarnaast wisten veel Nederlanders hun eigen koopkracht op te krikken: de werkloosheid was op een historisch laag niveau en veel werknemers werkten meer uren. Alles bij elkaar resulteerde dat volgens het Centraal Planbureau (CPB) in 2022 tot een koopkrachtdaling van 2,7 procent voor een doorsnee huishouden in Nederland.
Nederland loopt grote loonachterstand sneller in dan gemiddeld
Met het herstel van het reële loon loopt Nederland voorop in Europa. Tot eind 2022 was het gat tussen loon en inflatie juist groter dan in veel andere landen. De lonen stegen niet veel langzamer dan elders, maar vooral de hoge (energie-)inflatie leidde tot een lager reëel loon dan in de meeste Oeso-landen.
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) berekende in het eerste kwartaal voor alle lonen (inclusief werknemers die niet onder een cao vallen) al een klein plusje voor Nederland, een reële loonstijging van 0,4 procent ten opzichte van het jaar daarvoor.
Met deze stijging is Nederland een uitzondering, in de meeste Europese Oeso-landen is de loonstijging ten opzichte van een jaar eerder nog fors lager dan de inflatie. Alleen België, waar in veel contracten automatische prijscompensatie is vastgelegd, bleef Nederland voor met een reële loonstijging van 2,4 procent.
Dat Nederland boven de nullijn komt, ligt niet alleen aan het afkoelen van de inflatie. Ook de Nederlandse lonen stijgen sinds enkele maanden gemiddeld sneller. Oeso-econoom Andrea Salvatori noemt twee oorzaken voor de snelle Nederlandse inhaalrace: ‘De verhoging van de minimumlonen in januari heeft waarschijnlijk een significante rol gespeeld. Daarnaast worden in Nederland arbeidsovereenkomsten over het algemeen elk jaar heronderhandeld, in Duitsland bijvoorbeeld zit er meer tijd tussen onderhandelingen.’
Toch is de Nederlandse situatie volgens Salvatori nog niet in evenwicht na één kwartaal van reële loonstijging: ‘De reële lonen zijn ook in Nederland de afgelopen jaren flink gedaald en net als elders lijkt er ruimte te zitten in de winstmarges van bedrijven om dit in ieder geval voor de laagstbetaalden deels te compenseren zonder de prijzen onder druk te zetten.’
Komende maanden lonkt nog meer herstel
Veel werknemers kunnen nog een fikse loonsverhoging tegemoet zien. In cao’s die dit jaar zijn afgesloten, is een loonstijging van circa 8 procent afgesproken; nog een stuk hoger dus dan de 5,7 procent van het afgelopen jaar. De onderhandelingsresultaten vlogen omhoog in de afgelopen maanden. In 2022 was de onderhandelde loonsverhoging gemiddeld nog onder de 4 procent. De laatste maanden blijven de resultaten vrij constant. ‘Maar de loonsverhogingen zijn nog wel op historische hoogte’, zegt Jannes van der Velde van Werkgeversvereniging AWVN. ‘Onze zorg of bedrijven dit aankunnen is nog lang niet weg.’ Van der Velde wijst erop dat de winstcijfers gemiddelden zijn, ‘en overvragen kan zich ook tegen de werknemer keren, als dit ten koste gaat van het bedrijf’.
Ook De Nederlandsche Bank (DNB) waarschuwt voor te hoge lonen: ‘Als loonstijgingen boven de 7 procent de trend worden, dan wordt het terugbrengen van de inflatie gecompliceerder’, aldus de woordvoerder.
DNB voorspelt dat de inflatie voor het hele jaar 2023 uitkomt op 4,2 procent en dat de loongroei nog wel doorzet. ‘In 2024 ramen we 5,4 procent loonstijging en in 2025 3,7 procent.’ DNB spreekt van een ‘kantelpunt’, dat enige tijd op zich liet wachten, doordat prijzen sneller aangepast kunnen worden dan lonen. De lonen zullen in 2025 ten opzichte van 2021 nog ruim 2 procentpunt achterblijven bij de prijzen, verwacht de centrale bank. ‘Het reële-loonverlies van 2022 en 2023 zal niet geheel worden goedgemaakt.’