[Archive](https://archive.ph/4i6zi)
Essay – De woningmarkt als vliegwiel van ongelijkheid
In schaamte kun je niet wonen
Als we een sociale huurwoning naast een kast van een huis zien, zullen we vooral bij de eerste denken aan staatssteun. Terwijl de chique buurman via hypotheekrenteaftrek en andere voordeeltjes veel zwaarder wordt gesubsidieerd.
Toen ik een jaar of vijftien was kreeg mijn vader van een lokale woningcorporatie een nieuwe woning toegewezen in een buitenwijk van Maastricht. Op dat moment, begin 2000, was hij al twee jaar lang dakloos, sliep in de slaapzalen van het Leger des Heils of desnoods op straat. Ik was zelf niet dakloos, woonde samen met mijn moeder in haar rijtjeshuis elders in de stad. Mijn vaders nieuwe sociale huurwoning was sober maar degelijk. Het was een appartement met twee slaapkamers, ideaal voor een alleenstaande man met een tienerzoon die af en toe een paar dagen bleef slapen.
Maar hoewel het een feestelijk moment had moeten zijn, voelde het voor mij niet zo. Net als voor zijn dakloosheid, schaamde ik mij voor zijn nieuwe woonsituatie. Deze voldeed niet aan de norm die ik om mij heen zag. Het voelde nog steeds als een afwijking die ik krampachtig moest zien te verbergen.
Vanbinnen straalde de woning armoede uit. De meubels verraadden zijn structurele gebrek aan geld, het waren de weinige meubels die zowel zijn faillissement als zijn dakloosheid hadden overleefd. Twee jaar lang hadden ze staan verstoffen in een goedkope opslagbox op een bedrijventerrein aan de rand van de stad. Nieuwe inboedel had hij bij elkaar gesprokkeld.
In de badkamer deed het licht het niet. Dat wilde hij nog een keer repareren, maar heeft hij uiteindelijk nooit gedaan. Wilde ik douchen, dan kon dat met de deur op een kier voor een straaltje licht of met een grote bouwlamp in de badkamer. Het gaf hoe dan ook, en steeds opnieuw, een onhuiselijk gevoel. Alsof het huis geen thuis mócht worden.
Het open keukenblok was ronduit vettig en bedekt met stapels afwas, onopgeruimde etensresten, aangebroken pakken koekjes en Euroshopper-worstenbroodjes. In de keuken en woonkamer lagen overal tabaksresten – het gruis van de zware shag die mijn vader rookte en het vloeipapier waarvan hij zijn sigaretten rolde.
In zijn nieuwe appartement kreeg ik een eigen slaapkamer, maar daarmee was alles gezegd. Mijn slaapkamer was nog spaarzamer ingericht dan de woonkamer. Er was geen kast, geen bureau, geen stoel, alleen een smal eenpersoonsbed. Aan het plafond bungelde een troosteloos peertje. Ik zou destijds geen idee hebben gehad hoe ik aan anderen moest uitleggen waarom mijn kamer er zo uitzag; het simpelweg verbergen leek me een veel makkelijkere uitweg. Als ik nu aan die karige slaapkamer denk, herinner ik mij vooral de geur: de zware sigarettenlucht die mij ’s ochtends wekte, maar die eigenlijk permanent in de hele woning hing.
In mijn vaders slaapkamer waren zelfs helemaal geen meubels, enkel een goedkoop tweepersoonsmatras. Al snel was het matras bedolven onder bergen schone en vuile was. Mijn vader sliep altijd op de doorgezakte bank in de woonkamer, documentaires kijkend op Discovery Channel totdat hij wegdommelde. Als ik in het weekend laat in de avond thuiskwam, trof ik hem daar steevast aan, slapend in zijn normale kleding. Het werkte op z’n minst ontnuchterend, en op deze momenten verlangde ik het vurigst naar normaliteit.
In zijn boek ‘Veranderen: Methode ’ beschrijft de Franse schrijver Édouard Louis het huis waar zijn vader kwam te wonen nadat deze door zijn moeder was verlaten. Hij schrijft over ‘de armoede waarvan zijn woonruimte tot de laatste centimeter was doortrokken, de frituurlucht, de enorme tv voor de tafel waaraan hij at, zijn lichaam dat kapotgemaakt was door een leven van geldgebrek en uitsluiting’.
Het is alsof ik over mijn eigen vader en zijn sobere, vettige en karige appartement lees. Het gaat hier niet zomaar om individuele ervaringen van uitsluiting, maar om uitingen van systemische klassenongelijkheid. ‘Ik had niet een kindertijd gehad maar de kindertijd van een bepaalde klasse’, schrijft Louis dan ook.
Destijds snapte ik niet waarom mijn vader niet ‘gewoon’ zorgde voor wat fatsoenlijke meubels, om het appartement op z’n minst wat aangenamer en huiselijker te maken. Natuurlijk had ik ook toen wel door dat hij weinig te besteden had, maar ik had denk ik niet door hoe weinig. Mijn vader had schuldeisers achter zich aan en stond onder financiële bewindvoering. Voor hem bleef er niet meer dan een wekelijks zakcentje over.
Maar het was niet alleen een gebrek aan geld, het was ook een gebrek aan mentale rust en ruimte. Hij leefde in die jaren een teruggetrokken bestaan, er kwam praktisch nooit iemand over de vloer. Hij stond nog steeds in de overlevingsmodus. Wie bezig is met overleven, plant niet vooruit. De toekomst is een zorg voor later. Hij kon zich er niet toe zetten de slaapkamers ook maar een beetje in te richten, het licht in de badkamer te repareren, de keuken netjes te houden. De stelselmatige uitsluiting en ongelijkheid waren in het lichaam en de geest van mijn vader gekropen.
Als tiener, maar ook daarna, bleef ik de woonarmoede waarin mijn vader zich bevond verbergen. Ik nodigde bijvoorbeeld nooit vrienden bij hem thuis uit, uit angst voor de vernedering die ik zou moeten doorstaan. Ik vreesde namelijk dat zijn woonsituatie, de armoede die ervan uitging, negatief op mij zou afstralen, alsof het ook mijn persoonlijke tekortkoming was.
De woonarmoede wakkerde bij mij een diepgewortelde klassenschaamte aan, die pas echt onvermijdelijk werd in vergelijking met anderen. Ik herinner me een van de vele zomerse examenfeesten nadat mijn klasgenoten en ik klaar waren met de middelbare school. We hadden ons diploma binnen en zouden het jaar daarop naar de universiteit gaan; de meesten van ons zouden bovendien het ouderlijk huis verruilen voor een studentenkamer. Het feest was bij een klasgenoot thuis. Ik was er nog nooit geweest, maar het bleek een luxe vrijstaande woning aan de rand van Maastricht te zijn. Van het feest kan ik me niets meer herinneren, maar de woning en vooral de indruk waarmee ik achterbleef staan me nog altijd bij. De woning en de uitgestrekte tuin waren gigantisch in vergelijking met mijn moeders rijtjeshuis en zeker in vergelijking met mijn vaders armoedige appartement.
De diepe ongelijkheid in woonomstandigheden voelde confronterend, kleinerend zelfs, hoe aardig de klasgenoot ook was. Wij hadden jarenlang een klaslokaal gedeeld, maar onze leefwerelden waren mijlenver van elkaar verwijderd.
Zeker, mensen kunnen zich ook schamen voor hun bevoorrechte woonsituaties. De nooit echt aangeslagen term ‘woonschaamte’ refereert volgens het Instituut voor de Nederlandse Taal zelfs aan deze ‘schaamte die mensen voelen of volgens sommigen zouden moeten voelen omdat ze zeer gunstige woonomstandigheden hebben in vergelijking met anderen die moeilijk aan een woning kunnen komen’. Denk bijvoorbeeld aan jonge starters die enigszins gegeneerd moeten toegeven dat ze hun woning alleen maar dankzij financiële steun van hun ouders konden kopen. Of aan oudere koppels die niet kunnen ontkennen dat hun gezinswoning, na het uitvliegen van hun kinderen, eigenlijk veel te ruim voor ze is geworden. Maar dit soort schaamte is oppervlakkiger, zal zich niet vertalen in onoverkomelijke angst of paniek, zal hun leven niet beheersen, zal hen niet verlammen of tot een pijnlijk stilzwijgen dwingen
1 comment
[Archive](https://archive.ph/4i6zi)
Essay – De woningmarkt als vliegwiel van ongelijkheid
In schaamte kun je niet wonen
Als we een sociale huurwoning naast een kast van een huis zien, zullen we vooral bij de eerste denken aan staatssteun. Terwijl de chique buurman via hypotheekrenteaftrek en andere voordeeltjes veel zwaarder wordt gesubsidieerd.
Toen ik een jaar of vijftien was kreeg mijn vader van een lokale woningcorporatie een nieuwe woning toegewezen in een buitenwijk van Maastricht. Op dat moment, begin 2000, was hij al twee jaar lang dakloos, sliep in de slaapzalen van het Leger des Heils of desnoods op straat. Ik was zelf niet dakloos, woonde samen met mijn moeder in haar rijtjeshuis elders in de stad. Mijn vaders nieuwe sociale huurwoning was sober maar degelijk. Het was een appartement met twee slaapkamers, ideaal voor een alleenstaande man met een tienerzoon die af en toe een paar dagen bleef slapen.
Maar hoewel het een feestelijk moment had moeten zijn, voelde het voor mij niet zo. Net als voor zijn dakloosheid, schaamde ik mij voor zijn nieuwe woonsituatie. Deze voldeed niet aan de norm die ik om mij heen zag. Het voelde nog steeds als een afwijking die ik krampachtig moest zien te verbergen.
Vanbinnen straalde de woning armoede uit. De meubels verraadden zijn structurele gebrek aan geld, het waren de weinige meubels die zowel zijn faillissement als zijn dakloosheid hadden overleefd. Twee jaar lang hadden ze staan verstoffen in een goedkope opslagbox op een bedrijventerrein aan de rand van de stad. Nieuwe inboedel had hij bij elkaar gesprokkeld.
In de badkamer deed het licht het niet. Dat wilde hij nog een keer repareren, maar heeft hij uiteindelijk nooit gedaan. Wilde ik douchen, dan kon dat met de deur op een kier voor een straaltje licht of met een grote bouwlamp in de badkamer. Het gaf hoe dan ook, en steeds opnieuw, een onhuiselijk gevoel. Alsof het huis geen thuis mócht worden.
Het open keukenblok was ronduit vettig en bedekt met stapels afwas, onopgeruimde etensresten, aangebroken pakken koekjes en Euroshopper-worstenbroodjes. In de keuken en woonkamer lagen overal tabaksresten – het gruis van de zware shag die mijn vader rookte en het vloeipapier waarvan hij zijn sigaretten rolde.
In zijn nieuwe appartement kreeg ik een eigen slaapkamer, maar daarmee was alles gezegd. Mijn slaapkamer was nog spaarzamer ingericht dan de woonkamer. Er was geen kast, geen bureau, geen stoel, alleen een smal eenpersoonsbed. Aan het plafond bungelde een troosteloos peertje. Ik zou destijds geen idee hebben gehad hoe ik aan anderen moest uitleggen waarom mijn kamer er zo uitzag; het simpelweg verbergen leek me een veel makkelijkere uitweg. Als ik nu aan die karige slaapkamer denk, herinner ik mij vooral de geur: de zware sigarettenlucht die mij ’s ochtends wekte, maar die eigenlijk permanent in de hele woning hing.
In mijn vaders slaapkamer waren zelfs helemaal geen meubels, enkel een goedkoop tweepersoonsmatras. Al snel was het matras bedolven onder bergen schone en vuile was. Mijn vader sliep altijd op de doorgezakte bank in de woonkamer, documentaires kijkend op Discovery Channel totdat hij wegdommelde. Als ik in het weekend laat in de avond thuiskwam, trof ik hem daar steevast aan, slapend in zijn normale kleding. Het werkte op z’n minst ontnuchterend, en op deze momenten verlangde ik het vurigst naar normaliteit.
In zijn boek ‘Veranderen: Methode ’ beschrijft de Franse schrijver Édouard Louis het huis waar zijn vader kwam te wonen nadat deze door zijn moeder was verlaten. Hij schrijft over ‘de armoede waarvan zijn woonruimte tot de laatste centimeter was doortrokken, de frituurlucht, de enorme tv voor de tafel waaraan hij at, zijn lichaam dat kapotgemaakt was door een leven van geldgebrek en uitsluiting’.
Het is alsof ik over mijn eigen vader en zijn sobere, vettige en karige appartement lees. Het gaat hier niet zomaar om individuele ervaringen van uitsluiting, maar om uitingen van systemische klassenongelijkheid. ‘Ik had niet een kindertijd gehad maar de kindertijd van een bepaalde klasse’, schrijft Louis dan ook.
Destijds snapte ik niet waarom mijn vader niet ‘gewoon’ zorgde voor wat fatsoenlijke meubels, om het appartement op z’n minst wat aangenamer en huiselijker te maken. Natuurlijk had ik ook toen wel door dat hij weinig te besteden had, maar ik had denk ik niet door hoe weinig. Mijn vader had schuldeisers achter zich aan en stond onder financiële bewindvoering. Voor hem bleef er niet meer dan een wekelijks zakcentje over.
Maar het was niet alleen een gebrek aan geld, het was ook een gebrek aan mentale rust en ruimte. Hij leefde in die jaren een teruggetrokken bestaan, er kwam praktisch nooit iemand over de vloer. Hij stond nog steeds in de overlevingsmodus. Wie bezig is met overleven, plant niet vooruit. De toekomst is een zorg voor later. Hij kon zich er niet toe zetten de slaapkamers ook maar een beetje in te richten, het licht in de badkamer te repareren, de keuken netjes te houden. De stelselmatige uitsluiting en ongelijkheid waren in het lichaam en de geest van mijn vader gekropen.
Als tiener, maar ook daarna, bleef ik de woonarmoede waarin mijn vader zich bevond verbergen. Ik nodigde bijvoorbeeld nooit vrienden bij hem thuis uit, uit angst voor de vernedering die ik zou moeten doorstaan. Ik vreesde namelijk dat zijn woonsituatie, de armoede die ervan uitging, negatief op mij zou afstralen, alsof het ook mijn persoonlijke tekortkoming was.
De woonarmoede wakkerde bij mij een diepgewortelde klassenschaamte aan, die pas echt onvermijdelijk werd in vergelijking met anderen. Ik herinner me een van de vele zomerse examenfeesten nadat mijn klasgenoten en ik klaar waren met de middelbare school. We hadden ons diploma binnen en zouden het jaar daarop naar de universiteit gaan; de meesten van ons zouden bovendien het ouderlijk huis verruilen voor een studentenkamer. Het feest was bij een klasgenoot thuis. Ik was er nog nooit geweest, maar het bleek een luxe vrijstaande woning aan de rand van Maastricht te zijn. Van het feest kan ik me niets meer herinneren, maar de woning en vooral de indruk waarmee ik achterbleef staan me nog altijd bij. De woning en de uitgestrekte tuin waren gigantisch in vergelijking met mijn moeders rijtjeshuis en zeker in vergelijking met mijn vaders armoedige appartement.
De diepe ongelijkheid in woonomstandigheden voelde confronterend, kleinerend zelfs, hoe aardig de klasgenoot ook was. Wij hadden jarenlang een klaslokaal gedeeld, maar onze leefwerelden waren mijlenver van elkaar verwijderd.
Zeker, mensen kunnen zich ook schamen voor hun bevoorrechte woonsituaties. De nooit echt aangeslagen term ‘woonschaamte’ refereert volgens het Instituut voor de Nederlandse Taal zelfs aan deze ‘schaamte die mensen voelen of volgens sommigen zouden moeten voelen omdat ze zeer gunstige woonomstandigheden hebben in vergelijking met anderen die moeilijk aan een woning kunnen komen’. Denk bijvoorbeeld aan jonge starters die enigszins gegeneerd moeten toegeven dat ze hun woning alleen maar dankzij financiële steun van hun ouders konden kopen. Of aan oudere koppels die niet kunnen ontkennen dat hun gezinswoning, na het uitvliegen van hun kinderen, eigenlijk veel te ruim voor ze is geworden. Maar dit soort schaamte is oppervlakkiger, zal zich niet vertalen in onoverkomelijke angst of paniek, zal hun leven niet beheersen, zal hen niet verlammen of tot een pijnlijk stilzwijgen dwingen