Zijn ouders gaan nog een keer, de kleine Tiersma gaat nu wel mee. “Ik zie die kast nog voor me waar Pong op stond.” Het computerspel werkt ongeveer zoals tafeltennis, waarbij de batjes bestuurd worden door de twee spelers. “Het was voor mij magie.”

Het gamevirus heeft hem te pakken. Een paar jaar later ontdekt hij Pac-man, daarna Donkey Kong, Super Mario en Zelda. Obstakels, tunnels, records, levels en levens, het fascineert hem eindeloos. “Een drang naar avontuur”, weg van sleur en saaiheid. Jaren later, als vijftiger, herkent hij het patroon in de werkelijke wereld. “Een berg beklimmen, of een grot bezoeken, of in een nieuw plaatsje aankomen, geeft mij nog altijd hetzelfde gevoel als een nieuwe game beginnen.”

Als hij op een bestemming aankomt, moet hij altijd direct de omgeving verkennen. “Ik kan niet aankomen op mijn slaapplaats en daar dan blijven. Ik wil eerst een rondje lopen en me afvragen: ‘Wat is dit dan, en wat kun je hier, en wat is dat daar?”

Boeken, films, en pretparken geven hem hetzelfde gevoel. “De leukste attractie is als je door een poortje moet en zo in een andere wereld terecht komt.” Ook fantasyboeken hebben dat effect op hem. “Harry Potter had me ook meteen te pakken. Of bij Narnia, waarbij ze letterlijk door een kast gaan en in een nieuwe wereld terecht komen.”

Zijn liefde voor games is zo sterk, dat hij er zijn werk van maakt. In de jaren negentig gaat hij aan de slag bij Nintendo als speladviseur. “Dan konden mensen bellen met vragen. Bijvoorbeeld: ‘Ik zoek de grootste sleutel in level twee van Zelda’. En dan ging ik uitleggen hoe ze daar kwamen. Ik vond het super leuk. Ik mocht lekker gamen, en kreeg er nog geld voor ook.”