Ik weet nog dat deze foto van Helen Levitt werd gebruikt om reclame te maken voor een tentoonstelling in Amsterdam. Ik wilde schrijven dat dat een paar jaar geleden was, maar dat kun je niet meer echt zeggen over 2008, hè? Dat jaar ligt binnenkort even ver achter ons als 1988, het jaar waarin Levitt de foto maakte, toen in het verleden lag.
Ik weet nog dat het beeld me elke keer dat ik het zag aan een opengetrokken blik sardientjes deed denken en dat het me telkens opnieuw een beetje dwarszat. De foto was geweldig, dat zag ik ook wel, maar de compositie was ronduit vreemd. De horizon lag veel te hoog in beeld. Die telefooncel werd daardoor bruut afgesneden terwijl de onderste helft van het kader uit weinig meer dan loze ruimte leek te bestaan.
Waarom hield Levitt haar camera op deze manier gekanteld toen ze afdrukte? Het was niet om direct zonlicht te vermijden. Aan die vrouw rechts in beeld zie je dat de zon hoog achter de fotografe stond. Ik dacht even dat ze moest hebben gezien hoe het moment dreigde te vervliegen. Dat het haar te doen was om de manier waarop die twee kinderen in een baan om het moederlichaam bewogen. Hun drukte, haar ogenschijnlijke onbewogenheid. Maar als je oplet, zie je het veel vaker in haar werk, die hoge horizon. Ze fotografeert de straat en het is alsof ze zo min mogelijk van het kader aan andere zaken wil verspillen.
Het werk van Levitt hangt nu in de Kunsthal in Rotterdam. Veel oude zwart-witbeelden uit de oorlogsjaren – al is het in Amerika de afgelopen eeuw natuurlijk nooit én zelden geen oorlog geweest. Halverwege de tentoonstelling wordt een korte film geprojecteerd die Levitt samen met schrijver James Agee maakte. Ook hier veel beelden van kinderen en het leven dat zich grotendeels op straat voltrok; hoe ze zich vermaakten met wat ze er tegenkwamen. Het is een geluidloze film en terwijl ik zat te kijken hoorde ik hoe mijn dochter naast me zachtjes commentaar bij de beelden begon te verzorgen. Ze vulde in wat de kinderen tijdens hun spel tegen elkaar zeiden, maar ook wat de grijsaards die vanuit hun deuropening toekijken van al die kleine druktemakers dachten.
Op de terugweg zat ze achterop; het gemak wint het nog heel even van het besef dat dat een beetje belachelijk begint te worden. Ze is klein voor haar leeftijd en dat houdt haar bezig. Ze kan niet wachten en lijkt daarbij geen onderscheid te maken tussen haar verlangens om langer en ouder te zijn.
We stonden bij een stoplicht toen ze vanaf het stoeltje achter me vroeg of het nou echt zo leuk is, volwassen zijn.
De foto was geweldig, maar de horizon lag veel te hoog in beeld
Er leek geen directe aanleiding te zijn voor haar vraag. Had ik in het museum iets gezegd wat nog door haar hoofd spookte? Ik dubde even. Ik wilde haar fixatie op de toekomst ook niet voeden, maar ook niet dat ze haar verlangens zou inruilen voor zorgen. Wat was ik haar verschuldigd? Moest mijn antwoord overhellen naar eerlijkheid? Naar hoop? Of zou ze al iets hebben aan een portie onversneden ambivalentie?
‘Je bent op een andere manier vrij’, zei ik. ‘En als je geluk hebt is dat heel fijn. Maar het gaat vanzelf en er is geen weg terug, dus je kunt het beste maar niet vergeten ook dankbaar te zijn voor wat je nu hebt.’
Hoe leg je iemand van negen uit wat het onderscheid is tussen dromen over de toekomst en dromen over het verleden? Hoe enorm dat verschil is. Dat je er eigenlijk verschillende woorden voor zou willen gebruiken.
Ze zweeg en terwijl het stil was dacht ik dat het niet lang meer zou duren tot ze echt niet meer in het stoeltje zou passen. Zou ik het doorhebben, als het de laatste keer was?

Helen Levitt, N.Y., 1988
© Film Documents LLC, courtesy Zander Galerie

Helen Levitt, N.Y., 1971
© Film Documents LLC, courtesy Zander Galerie
Helen Levitt: City at play, Kunsthal, Rotterdam, tot 4 oktober.

Voorpublicatie
Nr. 37 /
2026