Hoewel mijn straat de aanfietsroute is van meerdere middelbare scholen, is er niet gestrooid. Daar komt bij dat we hier, achter de Haagse duinen, op een heel lichte helling leven. Al dagen kijk ik mijn ogen uit.

Christiaan Weijts is schrijver en essayist.

Al die jongens en meiden die hier gewoonlijk met z’n drieën naast elkaar fietsen en langsrazen op fatbikes en scooters met zoveel mogelijk klasgenoten achterop, hangend aan schouders, of voortduwend met een voet tegen de bagagedragers – ineens schuifelen ze over de stoep. Voetje voor voetje. Voorovergebogen duwen ze hun fatbikes voor zich uit, alsof het hulpmiddelen zijn die ze in evenwicht moeten houden.

Tegelijkertijd fietsen degenen bij wie je juist zo’n rollator zou verwachten doodgemoedereerd voorbij. Hun e-bikes staan heus niet in de turbostand, maar het lijkt alsof ze simpelweg niet zíén wat er aan levensgevaarlijk spul op straat ligt. Alsof ze weigeren zich te laten dwarsbomen. Sneeuwblind: is dat wat er met de oudere generatie aan de hand is?

Maandagmiddag – hier was het ‘code geel’ – waagde ik een ommetje, en ik glibberde op het kruispunt bijna onderuit. Het was gaan dooien, maar juist dan krijg je een spiegelglad laagje op het ijs. Een man op een degelijke herenfiets naderde deze onheilsplek. Weliswaar droeg hij een felgele helm over zijn grijze haar, maar zijn stuur wiebelde, en je zag dat het balanceren al zijn concentratie vergde.

Ik waarschuwde. „Pas op hoor, het is hier spekglad.” Ik dacht dat hij me niet had verstaan en riep: „U moet hier echt even afstappen!”

Maar hij had me wel verstaan. „Ach, schei toch uit,” zei hij, en trapte stoïcijns door, met een gekrenkte blik op de weg, die hij zonder problemen doorkruiste.

Ik keek hem na en schaamde me. Of misschien was ik wel jaloers op hem. Ik heb de overdreven voorzichtigheid van onze rubbertegelsamenleving vaak bespot. De veiligheidsprotocollen. Ik was kritisch op de coronalockdowns, waar deze sneeuwweek een verre echo van lijkt.

En hier stond ik een man te betuttelen die opgroeide onder het gesternte van een vrijere tijdgeest die ik benijd. Speelser. Vrijmoediger. Lacherig naar autoriteiten.

Trams vol scholieren

Dinsdag – hier was het nog steeds code geel, maar het oranje rukte al op – nam ik de tram naar het centrum. Ik had mijn dochter (14) aangeraden ook de tram te nemen, maar ze wilde per se fietsen. Ik keek haar overdreven lang na en hield mijn hart vast.

Nu zag ik dat de Laan van Meerdervoort prima te befietsen was. Alleen: vrijwel niemand deed dat. De trams zaten ramvol scholieren. Wie zich wel over de fietsstroken waagden? Vijftigplussers.

Een vriendin speelt in een orkest en had dezelfde observatie: bij de ouderen kwam het niet eens op om de repetitie af te blazen. Die stapten gewoon de auto in. De jonkies bleven thuis. Het winterweer onthult een generatieverschil.

De snowflakes kunnen niet meer tegen sneeuw, was de gedachte die zich opdrong, maar zo gemakkelijk is het niet. Vergeleken met die ouderen ís sneeuw ook iets uitzonderlijks voor wie dit millennium is geboren. Ouderen hebben domweg meer sneeuwkilometers gemaakt. Hun lijven herinneren zich nog hoe je over gladheid loopt en rijdt.

Sneeuw is niet langer wit maar geel, oranje of rood.

Maar het is vooral de mentaliteit. Zeur niet, zoals dat bij Annie M.G. Schmidt heette: ‘Als er sneeuw is / Als er mist is / Als het ijzelt en je minnaar een sadist is (…) Sla dan woedend met de deuren / Ga je avondjurk verscheuren / Maar niet zeuren.’

Zelfredzaamheid was voor de babyboomer heilig. Je gaat gewoon, je regelt het. De jongere generatie groeit op met de instructie dat voorzichtigheid iets positiefs is. Er zijn schema’s, waarschuwende apps, begripvolle werkgevers.

Daar komt alle media-opwinding bovenop. Sneeuw is niet langer wit maar geel, oranje of rood. Woensdagochtend volg ik een extra lange NOS-uitzending „over het sneeuwfront dat over het land trekt”.

Tussen boomer en snowflake

We zien reportages en livecams vanaf dat front. Verslaggevers zitten met oranje veiligheidshesjes in bergingswagens. In de studio zijn de strategische analisten ingevlogen voor het duiden van schermutselingen en tactische manoeuvres van de vijand. „Rozemarijn, waar sneeuwt het nu het meest?”

Van alle kanten horen jongeren dat sneeuw een risico is. Niet in de laatste plaats van hun eigen ouders – mijn eigen generatie, ergens tussen boomer en snowflake.

Eerlijk gezegd had ik mijn kinderen ook op het hart gedrukt de tram te nemen, wat ze niet deden. Angstvallig checkte ik in de schoolapp of ze niet als afwezig zijn geregistreerd, en dus veilig waren aangekomen.   

Inmiddels weet ik dat een vervelende val langdurige consequenties kan hebben. Zo bezien neigt die roekeloosheid van die oudere man in mijn straat naar een vorm van nostalgie, even achterhaald als rijden zonder gordel en met alcohol op.

Maar als we niet oppassen is het onze eigen controledrang die de sneeuwvlokjes baart. Zelf ben ik zo vaak door de sneeuw naar school gefietst. En kinderen moeten af en toe onderuitgaan om ervaringen op te doen.

In de jaren 80 en 90 hadden we geregeld ‘ijsvrij’. Dat was niet uit voorzorg, maar omdat we dringend het ijs op moesten. IJsvrij betekende: naar buiten, niet naar binnen. Nu eindigt de rector een bericht over de schoolsluiting met: „Doe hoe dan ook voorzichtig.”

Zojuist heb ik voor mijn kinderen voor het eerst in vijf jaar de slee weer uit de kelder gehaald. In de hal hoor ik mezelf zeggen: „Wel uitkijken, want daar steken wat schroeven uit.” 

Klik op het vinkje naast ‘Ik ben geen robot’