Na afloop van een lange reis om zijn familie te bezoeken, stuurde een vriend me een bezorgd berichtje. Reizen is altijd hectisch, maar normaal gesproken werd dat gecompenseerd door de rust wanneer zijn kinderen eindelijk quality time met hun grootouders konden doorbrengen. Maar dit jaar was het anders, zei hij: „Ze zaten de hele tijd alleen maar op hun telefoon en waren nauwelijks aanspreekbaar.” Hij had het niet over de kinderen, maar over hun grootouders.

Charlie Warzel is redacteur bij The Atlantic.
De afgelopen jaren hoor ik vaker zulke anekdotes – volwassen kinderen die zich zorgen maken dat hun ouders naarmate ze ouder worden een schermverslaving ontwikkelen. De verhalen zijn overal op internet te vinden. Ze vallen extra op omdat ze de zorgen weerspiegelen die ouders al jaren uiten over hun kinderen: dat hun jonge geesten zouden worden beïnvloed en vervormd door apparaten die ontworpen zijn om hun aandacht te grijpen en te exploiteren. De paniek rondom schermtijd plaatst kinderen doorgaans in de positie van machteloze wezens, volledig overgeleverd aan genadeloze techbedrijven waartegen volwassenen moeten ingrijpen om ze te beschermen. Maar een variant van dit probleem bestaat dus ook aan de andere kant van het leeftijdsspectrum: niet een jeugd die draait om de telefoon, maar een door de telefoon gedomineerd pensioen.
Het afgelopen jaar heb ik mensen gevraagd hun ervaringen met mij te delen. „Ik smeek mijn moeder voortdurend om haar telefoon weg te leggen; elke keer dat ik haar zie zit ze gedachteloos te scrollen. Echt, haar concentratievermogen is volledig verdwenen,” schreef iemand. Een ander beschreef een ouder die „urenlang Candy Crush speelt terwijl de kleinkinderen vechten om een plekje op haar schoot om met haar te spelen, omdat dat nu staat voor ‘samen tijd doorbrengen’”.
Sommigen schetsten wat klinkt als een constante zintuiglijke overprikkeling: „Als ik mijn ouders bezoek, staan er vaak twee televisies in verschillende kamers keihard aan terwijl ze allebei op hun iPad of telefoon zitten te scrollen”, schreef iemand. Veel berichten kwamen hier uiteindelijk op neer: „Ik heb mijn boomerouders moeten zeggen dat ze niet voortdurend aan hun iPads vastgeplakt moeten zitten in de buurt van onze driejarige.”
Meestal waren het privéberichten waarin deze oprechte zorgen werden geuit. De meesten vroegen me hun volledige naam niet te vermelden, omdat ze niet publiekelijk over hun familieleden wilden spreken. Josh uit Ohio vertelde dat zijn vader volledig in de ban is van korte video’s op Instagram en TikTok. „Volgens mij werken ze enigszins therapeutisch voor hem”, zei hij. „Hij heeft depressies en zware angstklachten. Ik probeer een betere hobby voor hem te vinden.”
Anderen waren vooral bezorgd over oplichting. „Ik maak me online meer zorgen om hem dan om mijn elfjarige”, zei een man genaamd Conor. „Elke keer dat ik bij hem langsga moet ik de iPhone van mijn vader afpakken om hem af te melden voor een hele reeks scam-abonnementen op zogenaamd virusbeschermende apps die hij heeft gedownload via advertenties in een of ander woordspel. Uiteindelijk heb ik uit voorzorg zijn mogelijkheid om apps te downloaden uit de App Store uitgezet.” Iemand die volledig anoniem wilde blijven vertelde dat diens ouder buitensporig veel tijd op Instagram doorbrengt, per ongeluk NSFW-video’s [Not Safe for Work, red.] doorplaatst op zijn tijdlijn en zich tegoed doet aan afstompende, door AI gegenereerde rommel.
Vier uur en zestien minuten
Deze verhalen vormen geen uitzondering: uit verschillende onderzoeken blijkt dat ouderen daadwerkelijk steeds meer tijd online doorbrengen, en dat die trend al jaren gaande is. In 2019 stelde het Pew Research Center vast dat mensen van zestig jaar en ouder „nu meer dan de helft van hun dagelijkse vrije tijd – vier uur en zestien minuten – voor schermen doorbrengen”, vaak met het kijken van online video’s. Een groot deel daarvan lijkt zich op YouTube af te spelen: dit jaar meldde Nielsen dat volwassenen van 65 jaar en ouder bijna twee keer zo veel YouTube op hun televisie kijken als twee jaar geleden. Uit een recente enquête onder Amerikanen boven de vijftig bleek dat „de gemiddelde respondent in totaal 22 uur per week voor een of ander scherm doorbrengt”. En in een onderzoek onder tweeduizend volwassenen tussen de 59 en 77 jaar gaf 40 procent aan zich „angstig of ongemakkelijk te voelen zonder toegang” tot hun apparaat.
Maar gebruiksonderzoeken zeggen weinig over hoe iemand precies omgaat met dat apparaat. Het is verleidelijk om terug te vallen op stereotypen over ouderen – hen neer te zetten als digibeten, mensen die nieuwe technologie niet begrijpen en een makkelijke prooi vormen voor oplichters. De werkelijkheid is veel complexer, vertelde Ipsit Vahia, hoofd gerontopsychiatrie bij Mass General Brigham’s McLean Hospital en directeur van het Technology and Aging Laboratory.
„Onze vuistregel luidt: als je één oudere hebt ontmoet, dan heb je één oudere ontmoet.”
„De fundamentele fout in hoe we over ouderen denken, is dat we iedereen boven de 65 over één kam scheren”, zegt hij. Ouderen vormen niet alleen geen monolithische groep; volgens Vahia geldt bovendien dat een generatie diverser wordt naarmate ze ouder wordt. Twee vijfjarigen hebben per definitie meer met elkaar gemeen dan twee zevenentachtigjarigen: hoe ouder je wordt, hoe meer kans je hebt gehad op uiteenlopende ervaringen en op het ontwikkelen van verschillende gewoonten en perspectieven. „Onze vuistregel luidt: als je één oudere hebt ontmoet, dan heb je één oudere ontmoet.”
Veel van de huidige zorgen over schermtijd hebben hun oorsprong in de coronapandemie, die bij ouderen leidde tot een duidelijke toename in technologiegebruik. „Als het alternatief isolement is, wordt technologie een zeer krachtige en positieve factor”, aldus Vahia. In veel gevallen was Zoom de opstap: families begonnen Zoom-reünies te organiseren, kerken hielden Zoom-diensten en de technologie werd ingezet voor telezorgafspraken. Zo raakten sommige ouderen vertrouwd met het gebruik van deze middelen.
Maar ook niet al het schermgebruik is gelijk, zeker niet bij ouderen. Sommige onderzoeken suggereren dat tijd doorbrengen op apparaten samenhangt met een betere cognitieve functie bij mensen boven de vijftig. Woordspelletjes, informatie opzoeken, instructievideo’s bekijken en zelfs gewoon met vrienden chatten kunnen positieve prikkels bieden. Volgens Vahia moeten onlinegewoonten die bij jongeren of mensen van middelbare leeftijd zorgelijk lijken, anders worden beoordeeld bij oudere generaties. „Intensief technologiegebruik bij tieners en adolescenten hangt vaak samen met slechtere mentale gezondheid en kan leiden tot isolement, eenzaamheid en zelfs depressie”, vertelt hij. „Bij ouderen lijkt technologiegebruik juist te beschermen tegen isolement en eenzaamheid.”
Somberder scenario
Toch lijken veel van de voorbeelden van technologiegebruik die Vahia noemde enigszins geïdealiseerd. Fanatieke Words With Friends-sessies of enthousiaste Wikipedia-marathons vallen inderdaad in de minder problematische categorie. Maar de meeste verhalen die ik hoorde beschreven een veel somberder scenario. Een vrouw die zich identificeerde als verpleegkundige in het Verenigd Koninkrijk – en anoniem wilde blijven omdat ze niet bevoegd was over patiënten te spreken – vertelde me in een privébericht dat veel van haar oudere patiënten op de afdeling zich laten verleiden tot „overmatig scrollen” en „een onmogelijke hoeveelheid troep consumeren op hun telefoons en iPads”.
„Een deel ervan is vrij onschuldig”, zei ze. „En soms zelfs best grappig, zoals wanneer iemand door automatisch afspelende video’s blijft hangen in een eindeloze reeks willekeurige Chinese filmpjes. Maar de negatieve effecten worden steeds zichtbaarder”, voegde ze eraan toe. Ze wees op agressieve anti-immigratiecontent, evenals berichten over „complotdenken en wantrouwen tegenover de medische wereld”. Wie genoeg tijd doorbrengt op Facebook of Instagram zal deze kenmerken herkennen: verwarde reacties onder door AI gegenereerde berichten van mensen die niet lijken te beseffen dat wat ze zien nep is; hyperpartijdige pagina’s die nepbeelden verspreiden van minderheden die misdaden plegen, opnieuw gedeeld door bezorgde gebruikers die steeds angstiger, paranoïde of gepolariseerder lijken te worden. Oplichting door nepaccounts die zich voordoen als bank of kredietverstrekker, of nepaccounts die eenzame mannen bestoken met tientallen vrouwelijke AI-chatbots.
Maar opnieuw waarschuwt Vahia tegen morele paniek. Toen ik het beeld schetste van ouderen die de hele dag naar afstompende AI-troep op Facebook kijken, wees hij op het grote verschil tussen actieve en passieve consumptie. Wie zegt dat elke oudere per se door die troep wordt misleid? Misschien maken ze er samen grapjes over of proberen ze uit te zoeken wat echt is en wat niet. „Als die troep mensen die anders weinig gemeen hebben toch een gespreksonderwerp biedt, verandert dat de zaak, nietwaar?”
Misschien wel. En er zijn ongetwijfeld projecties in het spel. De angsten van de mensen die me benaderden – en de angst die ik zelf voel – lijken geworteld in onze eigen ingewikkelde relaties met onze apparaten. Velen van ons maken zich constant zorgen over wat we consumeren, hoeveel we scrollen en de subtiele manieren waarop we online worden gestuurd, aangespoord en gemanipuleerd. En die zorgen betrekken we, al dan niet terecht, ook op anderen.
Maar beelden als Shrimp Jesus [bizarre, door AI gegenereerde afbeeldingen van Jezus met garnalen of andere schaaldieren die begin 2024 een trend waren op Facebook, red.] of nepvideo’s van ICE-agenten die mensen arresteren zijn bedoeld om gebruikers te verwarren of woedend te maken, net als al de andere clickbait die sociale platforms overspoelt. Het klopt dat we ouderen niet automatisch als naïeve slachtoffers moeten zien, maar de techreuzen die dit systeem beheren belonen betrokkenheid, niet kwaliteit. Voor mensen met meer vrije tijd dan ze weten te spenderen – en die mogelijk al kampen met isolement of andere psychische problemen – kan dat voortdurend oplichtende scherm een onweerstaanbare verleiding zijn.
Wie zijn wij om te oordelen?
Toen ik Vahia vroeg naar het fenomeen van de ouderen die tijdens de feestdagen zitten te scrollen, moedigde hij me aan om ook dit anders te zien. „Ja, dat valt inderdaad op wanneer je ze tijdens de feestdagen meemaakt”, zei hij. „Maar de rest van de tijd ben je er niet bij. Hun telefoons vormen een groot deel van hun leven, of dat nou goed is of niet. Jouw komst is hier eigenlijk de verstoring.”
Volgens hem moeten we bedenken wat de telefoon doet wanneer er niemand in de buurt is. Voorkomt deze dat een dierbare in een depressie wegzakt? Zorgt hij voor verbinding met de rest van de wereld? Zijn sommige ouderen niet misschien gewoon gelukkiger met de wereld in hun zak of op hun tablet dan ze zonder zouden zijn? Algoritmen beperken weliswaar onze autonomie, maar sommigen willen hun gouden jaren misschien wel op hun telefoon doorbrengen en zich overgeven aan die eindeloze stroom entertainment. Wie zijn wij om daarover te oordelen?
Het is behoorlijk verwarrend. De middelen die sommige mensen helpen zich verbonden te voelen met de wereld, ondermijnen bij anderen het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie. In plaats van snel conclusies te trekken, kunnen jongere mensen hun bezorgdheid beter gebruiken als aanleiding om met elkaar in gesprek te gaan – waarbij de telefoon even wordt weggelegd.
Dit artikel verscheen eerder in The Atlantic en werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine.
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
De journalistieke principes van NRC