Sneeuw in Amsterdam. Even is het Museumplein een knooppunt van muziek, musea én ijspret. Sleeën roetsjen van het ezelsorendak van het Stedelijk Museum, op een ijsbaan wordt geschaatst. Maar in het Concertgebouw merk je er niets van. Het Concertgebouworkest zit voltallig op het podium, al zie je nu sneeuwlaarzen in plaats van lakschoenen. Deze ochtend is er voor Schumanns Derde symfonie, ook bedoeld voor een opname. Dirigent Klaus Mäkelä (hij wordt 17 januari 30) oogt ontspannen. „Ik was twee weken vrij rond Oudjaar”, vertelt hij. „Eerst deed ik hier in Amsterdam de Kerstmatinee, daarna werd ik – zoals vaak wanneer je na een periode van hard werken naar huis gaat – ziek. Maar ik heb gewoon gestudeerd, omdat ik me per se goed wilde voorbereiden op de hoogtepunten van dit voorjaar: Bachs Matthäus-Passion en de Achtste symfonie van Bruckner. Ik beleefde er twee meer dan geweldige weken mee. Goede muziek heb ik altíjd om me heen, maar dit…. zijn wel echte piekervaringen. Mijn God.”
Het nieuws dat Mäkela dit voorjaar bij het Concertgebouworkest Bachs Matthäus-Passion gaat dirigeren, veroorzaakte de nodige opwinding. Mäkelä! Met de Matthäus! Hoe bijzonder dat hij zich anderhalf jaar voor zijn officiële start als chef al waagt aan een van de mijlpalen van het repertoire. Van de zeven chef-dirigenten in de 138-jarige geschiedenis van het Concertgebouworkest, gingen slechts vier hem daarin voor. Willem Mengelberg vestigde de (in Rotterdam gestarte) traditie, Eduard van Beinum zette die voort en Bernard Haitink ‘mocht’ tot zijn frustratie niet; in zijn chefsjaren waren Bachs passies het exclusieve domein van gespecialiseerde barokdirigenten als Nikolaus Harnoncourt. Riccardo Chailly greep eenmalig zijn kans in 1999, Mariss Jansons en Daniele Gatti kwamen er niet toe. En Mäkelä? „Ik zag gewoon geen goede reden om te wachten”, zegt hij. „Ik houd enorm van Bach én van tradities. Ook de Kerstmatinee vond ik prachtig om te doen. Ik voel natuurlijk wel veel druk om het goed te doen. In geen enkele andere stad kent het publiek de Matthäus zo tot in detail als in Amsterdam, Leipzig misschien uitgezonderd. Maar dat is misschien wel juíst een reden het hier te doen. En zo waren alle omstandigheden goed. Het orkest en ik kennen elkaar nu een paar jaar, we hebben genoeg repetitietijd en er komen drie uitvoeringen, twee in Amsterdam en één in Baden Baden. Ik heb er heel veel zin in.”
Lees ook
Voor het Concertgebouworkest en zijn internationale reputatie is Klaus Mäkelä nu al de ideale chef

U groeide op in een muziekfamilie. Welke rol speelden Bachs passies in uw jeugd?
„Geen grote rol. Ik zong als kind, heel hoog en best mooi. Maar in het operakoor, niet in de kerk, wat ik nu jammer vind, anders had ik de Matthäus waarschijnlijk al meer van binnenuit gevoeld en gekend. Nog erger vind ik dat ik, sinds ik de baard in de keel kreeg, helemaal geen connectie meer voel tussen mijn muzikale brein en mijn stem. Als jongenssopraan was die band juist heel vanzelfsprekend. Met mijn vader, die cellist is, ging ik vaak mee naar zijn orkestrepetities. Ik herinner me dat hij speelde in de Johannes-Passion. Zoals ik me ook de elpee herinner van de Matthäus-Passion die we thuis altijd draaiden, waarop hij ook meespeelde. Maar het zijn geen heel vergaande herinneringen.”
Twee uur en drie kwartier muziek: hoe bereidt u zich voor?
„Voor je aan de Mount Everest begint, klim je ook altijd eerst een keer naar zesduizend, daarna naar de zevenduizend meter. Bachs heb ik twee keer gedirigeerd en ik heb ook kilometers gemaakt met veel orkestwerken van Bach, de orkestsuites bijvoorbeeld. Je kunt dan kiezen tussen drie uitvoeringsstijlen: modern symfonisch, historisch geïnformeerd, of een mix. Ik kies voor de hybride, mijn Bach wordt medium rare. Dat kan ook niet anders nu er zoveel muziekwetenschappelijke kennis is over Bachs tijd, en het Concertgebouworkest is door de vele samenwerkingen met ‘authentieke’ dirigenten uitstekend ingevoerd is in . Maar dat betekent niet dat ik niet ook kan genieten van de ‘foute’ groot-symfonische uitvoeringen door dirigenten als Karajan of Furtwängler, of van hoe Willem Mengelberg met zijn enorme hoeveelheid musici tóch een heel goed werkende dramatische boog wist te spannen.”
Voor je aan de Mount Everest begint, klim je ook altijd eerst een keer naar zesduizend, daarna naar de zevenduizend meter
Bent u al begonnen?
„Ja, natuurlijk! Ik bedoel…ik moet dit gewoon heel goed doen. Op dit moment lees ik vooral boeken over de inhoud, en over hoe je de passie kunt opdelen in ‘scènes’. Ik wil er greep op krijgen, een beetje alsof het een opera is. Bij de voorbereiding van elke nieuwe partituur knip ik die op in kleine stukjes, maar bij de Matthäus gaat dat vanzelf, want die ís in opzet fragmentarisch, met episodes – aria’s, koren, recitatieven – van uiteenlopende stijl, lengte en gewicht. Maar wat hoort bij elkaar, welke actes kun je erin zien, wat gebeurt daarin? Of je die indeling straks als luisteraar meekrijgt weet ik niet, maar mij helpt het. Ook bij het vinden van antwoorden op praktische dilemma’s. Welke aria’s laat je direct uit het voorafgaande voortkomen, waar is een korte stilte zin- en betekenisvol? Daar heb je een helder narratief voor nodig.”

Klaus Mäkelä dirigeert in maart de ‘Matthäus-Passion.
Foto Merlijn Doomernik
Zoom in
Zou u uw interpretatie-in-wording al nader in woorden kunnen vangen?
„Pff, kun je dat niet beter aan ChatGPT vragen? Hoewel, nee, die probeert altijd overal de goede kant van te zien. Dan denk ik, kom op, wees eens een beetje meer realistisch en somber, meer Fins. (lacht) Maar om een serieus antwoord te geven: ik probeer nu eerst de taal, het tempo en de context zo goed mogelijk te begrijpen. Vervolgens hoop ik dat mijn visie straks overtuigt, logisch overkomt, mensen vervoert. Want we zouden per definitie alleen moeten streven en geïnteresseerd moeten zijn in dat wat echt bijzonder is. Ik zeg niet dat mijn uitvoering dat straks is, maar ik hoop natuurlijk van wel. Om er direct bij te zeggen: je bent nooit klaar. Ik wil er nog zestig jaar op doorgaan.”
Er zijn veel keuzes te maken. Mag ik er een paar uitlichten? Wat definieert voor u het ‘juiste’ tempo?
„Het naïeve antwoord is: als je barokke maatsoorten en de baslijn van de partituur goed bekijkt, voel je wat het juiste tempo is. Maar dat is theorie. De praktijk is grilliger – zeker in het Concertgebouw. De Grote Zaal heeft best wat echo, je hoort dingen soms met vertraging. Laatst beluisterde ik mijn eigen opname van het Requiem van Mozart. Ik dirigeerde al langzamer dan normaal, en op het podium voelde het goed. Maar als luisteraar besefte ik: het had nóg rustiger gekund. Kortom: veel is aftasten, zeker wanneer je werkt met zangers. Want het ‘juiste’ tempo van een aria hangt ook aan hun gevoel en adem, en aan de dramatische lading van het moment.”
Lees ook
Vijf vragen over de ‘Matthäus-Passion’

Wat is uw ideale locatie voor een Bach-passie, concertzaal of kerk?
„Hm….ik denk toch een concertzaal. Ik zou wel graag een keer een Matthäus in de Thomaskerk in Leipzig horen, om te beleven hoe de opzet met twee orkesten en twee koren werkt in de architectuur waarvoor Bach die heeft bedacht. Maar eerlijk gezegd – en ik zweer je dat ik er niet voor word betaald dit te zeggen – denk ik dat het Concertgebouw de perfecte plek is. De akoestiek houdt hier een beetje het midden tussen een kerk een concertzaal: niet te droog, én niet overdreven rijk.”
Eerlijk gezegd – en ik zweer je dat ik er niet voor word betaald dit te zeggen – denk ik dat het Concertgebouw de perfecte plek is voor de ‘Matthäus-Passion’
Keuze drie: vibrato, of geen vibrato?
„Op zich houd ik erg van de strakke, zuivere klank van strijkers en zangers die zonder vibrato musiceren. Maar ik geloof niet dat helemaal zingen zonder trilling natuurlijk is. Dus streef ik er ook niet naar.”
Sommige authentieke dirigenten kiezen voor slechts acht zangers in totaal. Bij Willem Mengelberg waren het er een paar honderd. Waar ligt uw voorkeur?
„Wat ik zoek is helderheid in de polyfonie én genoeg body in de klank om met de twee orkesten en koren een goed stereo-effect te bereiken. Dat betekent voor mij dat je sowieso de nodige uitvoerenden op het podium hebt, ook als je streeft naar een gulden middenweg tussen minimalistisch en monumentaal.”
De alt-aria ‘Erbarme dich’ is de lieveling van velen. Wat hoort u zelf liever: een vrouwelijke of mannelijke zanger?
„We weten natuurlijk dat Bach alleen mocht werken met jongens en mannen. Als je ‘authentiek’ wil zijn, is de keuze dus duidelijk. Maar persoonlijk? Als het maar een echt geweldige zanger is, kan de man/vrouwvraag me totaal niet schelen.”
Finland is een overwegend Lutheraans land. Hoe staat u zelf tegenover geloof?
„Ik ben niet religieus, wel nogal spiritueel. En er zijn dingen die mij doen geloven in God. Heb je Yunchan Lim wel eens piano horen spelen? Dat is iets ongelooflijks. Ik vind hem serieus een goddelijk geschenk aan onze wereld. En ik weet niet of dat een smaakkwestie is, en ik dus gewoon heel erg word geraakt door zijn spel, maar als wij samen spelen voelt dat zó bijzonder – dat zijn onaardse ervaringen. En iets soortgelijks verhevens kan me bekruipen als ik stukken bestudeer als de Matthäus-Passion, of de Achtste van Bruckner. Of als ik werk zie van Michelangelo. Misschien is dat mijn spiritualiteit. Ik kan me door grote kunst opgetild voelen, en dan voel ik me daardóór extra met andere mensen verbonden.”
Bij welke je aria of passage ervaart u dat specifiek?
„Hmmm….dan denk ik dat ik kies voor de sopraanaria ‘Aus Liebe’, met de fluitsolo en dat paradoxale contrast tussen onaardse muzikale schoonheid, de liefdevolle strekking van de tekst en de schurende pijn die je tegelijkertijd óók voortdurend voelt. Om goed te kunnen verwoorden wat ik daar allemaal bij denk en voel moet ik er langer over nadenken. Maar het is hoe dan ook een aria die je ermee confronteert dat de Matthäus-Passion óók behoorlijk angstaanjagend kan zijn, door die ongelooflijke kwetsbaarheid en intensiteit. Ook in de schreeuwerige volkskoren kan dat me bekruipen, zo’n échte sensatie van ongemak. Koude rillingen. En dat heb ik maar heel zelden. Ik bedoel, de opera’s van Wagner zijn groots en kunnen je heus óók kippenvel geven, maar dat voelt voor mij ergens toch ook altijd ook een beetje cringe, omdat waar die opera’s over gaan, niet direct samenhangt met de echte wereld. Dat is hier anders. Dit is echt, en het is ook echt angstaanjagend.”
J.S. Bach: Matthäus-Passion. Koninklijk Concertgebouworkest / Nederderlands Kamerkoor / Nationaal Kinderkoor o.l.v. Klaus Mäkelä. 27 en 29 maart Concertgebouw Amsterdam; 30 maart Osterfestspiele in Baden-Baden. Info: kco.nl
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
De journalistieke principes van NRC