Over de Drentse wegen rijden we tegenwoordig zonder tussentijds de portemonnee te trekken, maar eeuwen geleden was dat wel anders. Wie een brug overstak of een belangrijke weg gebruikte, moest tol betalen. De ene reiziger betaalde meer dan de ander, en dat zorgde voor pittige discussies en soms zelfs stevige conflicten.
“Het is fascinerend om te zien hoe zo’n alledaags fenomeen als tol zoveel invloed had op het dagelijks leven”, zegt Ellen van der Velds van het Drents Archief. “In de elfde eeuw was het de bisschop van Utrecht die de tol hief op de belangrijkste toegangswegen. Inwoners betaalden niets, omdat zij het onderhoud deden. Buitenstaanders moesten voor elk paard een oortje en voor elke persoon een duit betalen.”
In de elfde eeuw zag Drenthe er heel anders uit dan nu. Het landschap bestond grotendeels uit moerassen, veengebieden en water, waardoor er nauwelijks begaanbare wegen waren. Eigenlijk waren er maar drie belangrijke routes die door reizigers gebruikt konden worden en waar tol werd geheven: bij Coevorden, bij Meppel en bij De Punt.
Deze wegen waren cruciaal voor handel en reizen, en daardoor precies de plekken waar tol het meest van belang was. “De opbrengst van de tol werd gebruikt om de wegen te onderhouden en reizigers te beschermen tegen rondzwervend gespuis”, vertelt Van der Velds. “Het leverde niet heel veel op, maar het was wel nuttig voor de veiligheid en het onderhoud.”