De noordelijke provincies en gemeenten zullen onderzoeken hoe en wat de regio kan meebetalen aan de aanleg van de Lelylijn. Daarvoor komt een regionale investeringswerkgroep, die zal kijken naar de mogelijkheden om bij te dragen aan het miljardenproject.
Dat maakte de Groninger Commissaris van de Koning René Paas, die ook voorzitter is van de Stuurgroep Lelylijn, woensdag bekend na overleg met Lelylijn-gezant Klaas Knot.
Zo’n 10 procent van de financiering van de Lelylijn moet komen van alternatieve partijen, zoals het bedrijfsleven en de Europese Unie. De nieuwe werkgroep onderzoekt hoe de regio hieraan mee kan doen.
Knot, voormalig president van De Nederlandsche Bank, had kortgeleden voorgesteld dat het Rijk jaarlijks 400 miljoen euro spaart voor de Lelylijn.
Het noorden ziet dit als “een logisch en gedegen advies”.
De noordelijke provincies zeggen al langer dat een betere bereikbaarheid over spoor het fundament is voor economische ontwikkeling.
De boodschap van hen aan Den Haag is dan ook: investeren in infrastructuur kost geld, maar levert in de toekomst ook geld op.
De politiek praat al jaren over de Lelylijn, maar het loopt vast op de kosten. De laatste schattingen komen uit op ruim 14 miljard euro.
Het Rijk had al een potje hiervoor aangemaakt, waar 3,4 miljard in zat. Het vorige kabinet besloot vorig jaar echter om een groot deel van dat geld te gebruiken voor de aanleg van de Nedersaksenlijn, tussen Groningen en Enschede.