Nederlandse kleuters scoren minder dan gemiddeld op belangrijke vaardigheden die nodig zijn om te leren. Dat blijkt uit de International Early Learning and Child Well-being Study (IELS), een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen. Het gaat bijvoorbeeld om het omgaan met cijfers en het vermogen informatie te verwerken en te onthouden. Volgens de onderzoekers zijn de scores in deze leeftijdsfase een belangrijke indicator voor schoolprestaties en welbevinden in de toekomst.

Het IELS is een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kernvaardigheden van vijfjarigen. Het is een initiatief van de OESO, de groep van rijke industrielanden. Behalve Nederland deden dit jaar ook Azerbeidzjan, België (Vlaanderen), Brazilië, Engeland, Malta, de Verenigde Arabische Emiraten en Zuid-Korea mee. Ruim 2.800 vijfjarigen deden in Nederland mee aan het onderzoek, dat het onderwijsonderzoekscentrum KBA Nijmegen heeft uitgevoerd met geld van het Nederlandse ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Op zes van de tien gemeten onderdelen scoorden de Nederlandse kleuters ondergemiddeld, alleen op het gebied van vertrouwen zijn ze bovengemiddeld

De vaardigheden van de vijfjarigen uit deze landen werden onderzocht door hen op verschillende terreinen te toetsen. Bijvoorbeeld op hoe goed zij patronen kunnen herkennen, simpele sommen kunnen maken en impulsen kunnen onderdrukken. Ook is gekeken naar het sociaal gedrag dat ze vertonen.

Voor zes van de tien gemeten onderdelen scoorden de Nederlandse kleuters onder het gemiddelde van de andere zeven deelnemende landen. Op het gebied van beginnende taalvaardigheid – de voorloper van leesvaardigheid – scoren de Nederlandse kinderen gemiddeld. Alleen op het gebied van vertrouwen zijn de kleuters bovengemiddeld.

Volgens hoofdonderzoeker Nicole Swart zijn de resultaten niet verrassend, maar wel zorgelijk. „We zien al jaren een dalende trend over de gehele linie van schoolprestaties, dit onderzoek is daarin niet anders.”

Wat dit onderzoek wél anders maakt, is dat niet alleen gekeken is naar de schoolprestaties zelf, maar ook naar de vaardigheden die nodig zijn om te kúnnen leren – in het onderzoek beschreven als ‘executieve functies’. Juist die resultaten vindt Swart zorgwekkend. „Bij het werkgeheugen gaat het erom of je informatie kunt opslaan terwijl je nieuwe informatie tot je neemt. Je kunt je voorstellen dat dat essentieel is om nieuwe dingen te kunnen leren.”

Kinderen knutselen tijdens een zomerschool op basisschool De Regenboog.

Foto Bart Maat

Zoom in

Emoties beter herkennen

Het IELS is volgens Swart ook belangrijk omdat weinig internationaal onderzoek wordt gedaan naar deze leeftijdscategorie. Het jaarlijkse PISA-onderzoek van de OESO, waarbij middelbare scholieren uit 81 landen worden getest op leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen, richt zich bijvoorbeeld op vijftienjarigen. Volgens Swart is het van groot belang om juist deze leeftijdsgroep te onderzoeken. „Hier wordt de basis gelegd voor al het verdere leren.”

Het onderzoek geeft geen oorzaken voor de ondermaatse score van Nederlandse kleuters, maar keek wel naar factoren uit het leven van de kinderen die daarmee kunnen samenhangen.

Voorlezen is altijd een goed idee, zo blijkt. Kinderen die vaak werden voorgelezen kunnen beter omgaan met taal en cijfers en kunnen emoties bij anderen beter herkennen, ook als de sociaaleconomische status van het gezin waarin ze opgroeien buiten beschouwing wordt gelaten. Volgens Swart is die bevinding van groot belang. „Dat is een knop waar je echt aan kunt draaien, als maatschappij en als school.”

Lees ook

Hoe komen we uit de onderwijscrisis?


Geef cadeau

Deel

Mail de redactie