Bekijk artikel in krant

Hanno Sauer: Klasse. Het ontstaan van boven en onder. De Bezige Bij. 360 blz. €29,99

In mijn jeugd leerde ik dat je aan tafel tegen aangeboden eten kon zeggen: „Ik zit erop en ik kan er met de vinger bij”. Het was een dubbele boodschap, namelijk dat je wist dat „Ik zit vol” volks was én dat je het lef had deze platheid zwaar te overtreffen, omdat je nu eenmaal niet tot die volkse laag behoorde. De Franse socioloog Pierre Bourdieu noemde dit gedrag „distinctiedrift”: de concurrentiestrijd tussen de verschillende sociale klassen om zich, qua smaak, van elkaar te onderscheiden. In het recente Klasse. Het ontstaan van boven en onder komt de Duitse filosoof Hanno Sauer (1983) nu met een eigen visie op dit sociale gevecht.

Het aardigste van het boek is de toon van de auteur. Er is de afgelopen jaren een kleine bibliotheek aan klasse-kritiek geschreven, vooral door mensen die zich aan de armoede ontworsteld hebben. Een terechte ontwikkeling, aangezien we graag denken dat alle maatschappelijke mogelijkheden openliggen voor wie hard werkt. Maar wie in achterstand opgroeit, moet nog altijd veel overwinnen om ergens te komen. Zie het werk van Franse auteurs als Edouard Louis en Didier Eribon, de Vlaamse Tim ’S Jongers of de Nederlandse Milio van de Kamp. Bij wijze van binnen-zonder-kloppen geeft Sauer echter vroeg in het boek een visitekaartje af en positioneert hij zich tegenover deze auteurs. Onder meer door al snel zijn vader te citeren, die zegt dat het leven pas ná je academische promotie begint. Ja, Sauer komt uit de elite. Niet de zeven-vinkjes- middenklasse van Joris Luyendijk, maar gewoon upper class. En anders dan Luyendijk heeft hij geen zin daarover te tobben.

Sauer heeft vrienden met zeiljachten die amper in de haven passen, kent de weg naar exclusieve clubs in New York en is daar ook graag gezien omdat hij „fun” is en „een makkelijke prater”. Sauer schrijft dan ook koket: „Het beste gevoel ter wereld, zo vertelde een vriend ooit aan mij toen hij net terug was van een vermoeiende zakenreis, is als je voor op de oprit staat, de poort gaat open, je rijdt erdoor, hoort het knarsen van de kiezels onder de banden, en je weet: eindelijk, over tien minuten ben ik thuis.” 

In de eerste hoofdstukken ontwikkelt Sauer een theorie over hoe we door de geschiedenis heen uiteenlopende „sociale signalen” gebruiken om anderen te laten zien dat we competent, slim of bijzonder zijn – en dus maatschappelijk relevant. Hij bespreekt kundig een grote hoeveelheid recente psychologische, economische en sociologische literatuur om uit te leggen hoe statuscompetitie bij mensen hoort.

Onze onderscheidingsdrift leidt tot grote creativiteit. Op zoek naar statusbehoud of statuswinst pronkt de middenklasse bijvoorbeeld graag met signalen die „vervalsingsbestendig” zijn, zoals diploma’s of huizen, waar je hard voor hebt moeten werken. Maar raak je wat meer upper class, dan leer je op je hoede zijn voor de „valse signalen” van de parvenu, zoals Tony Soprano’s gouden Rolex. En om je sociale positie duidelijk te markeren hebben we ook nog subtiele „tegensignalen”, zoals vrienden die overdreven grof tegen elkaar doen, of de filmster die er doordacht slordig uitziet en dus extra hip is.

En dan is er, zo beschrijft Sauer beeldend, onder Gen Z ook nog zoiets als „stigmapochen”, ze zijn allemaal supertrots dat ze ADHD én pleinvrees hebben en menen dat hun gevoeligheid wel moét bewijzen dat ze bijzonder zijn. Kortom, statusverschillen tussen mensen blijken hardnekkig én ze worden ook doorgegeven. Een eeuw na de dood van de laatste keizer, ettelijke revoluties en genocidale moordpartijen op intellectuelen en grootgrondbezitters ten spijt, verdienen de achterkleinkinderen van de prerevolutionaire elite in China twintig procent meer dan gemiddeld.

Verschil is een blijvertje

Sauers onapologetische toon werkt eerst verfrissend, maar grote verrassingen blijven uit in de latere hoofdstukken. Hij bespreekt daarin onder meer de totstandkoming van economisch verschil en de vraag hoe dat verschil te rechtvaardigen is. Hij bouwt op naar de conclusie dat we „aan het idee moeten wennen dat we ongelijkheid en statusverschillen nooit helemaal kunnen opheffen”. Dus streept hij de radicale alternatieven voor het kapitalisme weg, al is dat systeem „in veel opzichten geen fraaie zaak”. Ook de minder oplettende lezer vermoedde al dat de schrijver niet van de revolutionaire soort is. Wanneer Sauer tenslotte komt met nogal algemene „voorstellen” die geen „oplossingen” mogen heten – zoals: „sociale posities en kansen zouden zoveel mogelijk open moeten staan voor iedereen” – lijkt hier ineens de stem van Ad Melkert door te klinken.

Sauer legt duidelijk uit dat verschil een blijvertje is, maar is dat de urgente kwestie? Armen en arbeiders hebben tegenwoordig een beschermde status: gesprekken over deze sterk gekrompen groepen staan onder emotionele hoogspanning. Zo ontwikkelde Showtime de populaire serie Shameless over zuipende en rondneukende low lives in Chicago, de absolute onderklasse. Alleen zijn alle karakters extreem slim en hebben de acteurs stralende gebitten en sportschoollijven. Ver van de realiteit, want het filmen van echte arme mensen heet al snel ‘uitlachtelevisie’ of ‘armoedeporno’.

Op de arbeidsmarkt heeft deze groep ondertussen amper positie: om nagenoeg alle banen wordt geconcurreerd door middelbaar en hoger opgeleiden. Tegen de klippen op zoekt die middenklasse daarom dag in dag uit bijscholing, voor zichzelf en de kinderen. En „macht”, besluitvorming die ons allemaal raakt, ligt amper bij de excellenties en edelachtbaren van vroeger of bij de doctors en professoren van de hedendaagse diplomademocratie. Meer macht ligt bij de miljardairs die telkens weer belastingverlaging kunnen bedingen, denk Elon Musk of Mark Zuckerberg. 

Naast competitie tussen klassen is er kortom nogal wat stress binnen sociale statusgroepen. Ben je tegenwoordig upper class, dan heb je het goed voor elkaar, maar niet veel invloed. Ben je van de middenklasse, dan heb je veel lotgenoten, allemaal bezorgd dat het hun kinderen minder zal gaan. En val je buiten de middenklasse, dan heb je weinig lotgenoten en zijn je kansen kleiner dan vijftig jaar geleden om van een dubbeltje een kwartje te worden.

Voor allen geldt, wanneer die stress oploopt is een uitstapje naar het populisme snel gemaakt. We wisten al uit het Duitsland en Spanje van de jaren dertig dat elite, adel en grootindustriëlen geen spat om democratie geven, en de Amerikaanse upper class laat ook Trump zijn gang gaan. En nu in het welvarende Nederland uiterst rechts een kwart (!) van de stemmen heeft gehaald, zijn niet alleen „verliezers” maar ook flink wat Tesla- en Volvorijders bereid afscheid te nemen van redelijk overleg.

Dat soort desastreuze politieke effecten van de hedendaagse statusangst benoemt Sauer terloops. Daardoor komt de tweede helft van het boek wat gezapig over, zeker nu bijvoorbeeld ook in Duitsland het rechtsradicale Alternative für Deutschland als grootste partij in peilingen opduikt. Het punt dat een verdeling tussen „boven en onder” bij mensen hoort, was met een minder dik boek scherper gemaakt.

Geef cadeau

Deel

Mail de redactie