Niet zo lang geleden waren Iva Bicanic en Lidewijde van Lier bij een bijeenkomst op een school, voor slachtoffers en betrokkenen van een grote zedenzaak. Bicanic, hoogleraar seksueel misbruik van kinderen aan de Universiteit Utrecht en directeur kennisontwikkeling van het Centrum Seksueel Geweld (CSG), gaf daar een proeve van wat leerkrachten en ouders tegen kinderen zouden kunnen zeggen over de zaak.

Ze hield het simpel, zegt ze nu. Iets in de trant van: „Weet je nog dat meester die en die bij ons op school werkte? Die zien jullie niet meer. Hij werkt niet meer bij ons op school. En dat komt omdat die meester aan kinderen heeft gezeten. En omdat hij blootfoto’s heeft van kinderen op zijn computer. En daarna kun je zeggen: dat mag niet van de politie. En daarom is de meester nu bij de politie.”

Van Lier, projectleider aanpak online seksuele misdrijven bij de politie, zag dat politie en Openbaar Ministerie het vooraf griezelig vonden, dat „mini-college” van Bicanic. Zou ze dingen gaan zeggen die het lopende onderzoek naar de verdachte konden doorkruisen? Zouden de emoties van de ouders niet te hoog oplopen? „Haar kennis en adviezen bleken de ouders juist houvast te bieden en eerder te kalmeren”, zegt Van Lier.

Als zaken van grootschalig seksueel misbruik naar buiten komen, kunnen verschillende betrokken partijen tegenstrijdige belangen hebben. Politie en justitie zijn vaak terughoudend met het delen van informatie, terwijl de burgemeester van de gemeente, de directeur van de school of de voorzitter van de betrokken sportclub vooral hun bezorgde burgers, ouders en andere betrokkenen willen informeren. Ook voor hulpverleners is het belangrijk dat ze betrokkenen houvast kunnen bieden, bijvoorbeeld door ouders mee te geven hoe ze over zoiets gevoeligs met hun (heel jonge) kinderen praten.

Vandaar dat Van Lier namens de politie, Bicanic vanuit het CSG, en Elizabeth Mol, senior beleidsadviseur bij Slachtofferhulp Nederland, de handen ineensloegen. Onder leiding van Annelot Weusten (ook van het CSG) en mede op basis van de ervaring en kennis van artsen, officieren van justitie, hulpverleners en advocaten maakten ze het Praktijkboek grootschalige (online) seksueel misbruikzaken met risico op maatschappelijke onrust. Het is richtlijn, hulpboek en naslagwerk tegelijk, 272 pagina’s lang, zowel voor professionals die een rol hebben bij de afwikkeling van zulke zaken, als voor degenen die erdoor worden overvallen.

Het boek wordt maandag gepresenteerd aan burgemeester Ronald Schneider van Barendrecht, waar in 2024 een grote ontuchtzaak aan het licht kwam. Schneiders ervaringen over wat goed en niet goed ging heeft hij voor dit praktijkboek met Weusten gedeel. Vanaf maandag is het ook online te lezen via het CSG en Slachtofferhulp Nederland. De vier vrouwen zetten uiteen waar het boek voor bedoeld is.

Lees ook

Applaus op publieke tribune: achttien jaar cel en tbs voor Mels van B. in Barendrechtse zedenzaak

Rechtbanktekening van Mels van B..

Voorbeeldbrieven aan ouders

Elizabeth Mol zegt dat Slachtofferhulp Nederland zag hoe het aantal zaken van grootschalig misbruik, en dan vooral online misbruik, de afgelopen jaren „in een stroomversnelling kwam”. „We kregen de ene na de andere grootschalige zaak met tientallen slachtoffers binnen. En telkens opnieuw gingen we, per zaak, samen met andere partijen, op zoek naar manieren hoe de slachtoffers op de juiste manier hulp te bieden.”

„Geen zaak is hetzelfde en ieder slachtoffer, en diens naasten, heeft eigen behoeften en verschillende hulpvragen. Wij willen zoveel mogelijk passende hulp bieden en tegelijkertijd rekening houden met ieders belangen. Dit is een ingewikkeld samenspel en er zijn steeds meer facetten bijgekomen”, zegt Mol.

In het praktijkboek staan voorbeeldbrieven die een getroffen instelling aan ouders kan sturen en tips voor hoe te reageren op signalen van seksueel misbruik

Het praktijkboek weerspiegelt die variatie. Er staan voorbeeldbrieven in die een getroffen instelling aan ouders kan sturen, tips voor hoe te reageren op signalen die lijken te duiden op seksueel misbruik van je kind („Blijf kalm of doe alsof u kalm bent”), tips voor hulp aan de mensen in de naaste omgeving van een verdachte („U heeft hier niet om gevraagd en u kon dit niet voorkomen. U draagt geen schuld”) en voor de omgang met de verdachte („Wanneer een verdachte als mens wordt benaderd en niet volledig wordt uitgesloten, vergroot dat de kans op herstel en vermindert het de kans op terugval”).

De auteurs onderstrepen dat het boek geen handleiding is. „Er is geen blauwdruk voor zulke situaties”, zegt Van Lier. „Dat is juist goed, want dat dwingt de professionals om naar elkaar te luisteren.”

Eerste aanbeveling: bel de politie

De meeste mensen die in aanraking komen met een zaak van grootschalig seksueel misbruik, maken zoiets één keer in hun leven mee. Grote kans dat ze niet weten wat ze moeten doen. „Een schoolleider die hoort dat zo’n zaak op zijn school speelt, kan direct gaan handelen. Uit paniek. Of omdat hij denkt dat de ouders dat van hem verwachten”, zegt Mol. „Dat kan de werkzaamheden van de politie doorkruisen. Of de zorgvuldige aanpak van hulpverleners. Dit boek moet eigenlijk naar alle bestuurskoepels van het onderwijs in Nederland en naar alle sportclubs.”

Bicanic: „De eerste aanbeveling in dit boek luidt: krijg je het vermoeden van een grootschalige zaak, bel dan de politie. De politie zal ervoor zorgen dat Slachtofferhulp Nederland en het CSG allemaal bij elkaar komen, om er samen met jou voor te zorgen dat we dit tot een goed einde brengen.”

Bicanic heeft soms het gevoel dat de samenleving door de snelle opeenvolging van zaken van grootschalig seksueel misbruik die ‘bijna gewoon lijkt te vinden’

Dat de verschillende instellingen samen aan het boek hebben gewerkt, is ook omdat ze allemaal zien hoe snel het probleem toeneemt. De laatste zes jaar zijn er bij het CSG elk jaar 15 procent meer slachtoffers van seksueel misbruik bijgekomen, zegt Bicanic. „Op dit moment zijn er jaarlijks twintigduizend mensen die hulp vragen.”

Bicanic zegt dat ze soms het gevoel heeft dat de samenleving door de snelle opeenvolging van zaken van grootschalig seksueel misbruik die „bijna gewoon lijkt te gaan vinden, een soort apathie”. Vooral de opkomst van online misbruik heeft dat effect, denkt ze. „Het is moeilijk de gemiddelde burger ervan te doordringen dat je ook online kunt worden misbruikt”, zegt Van Lier. „En dat het iedereen kan overkomen.”

Toenemende aantallen slachtoffers

Het lastige bij online misbruik is dat het zich niet afspeelt op één plek of binnen één gemeente, maar over de hele wereld. Dat heeft gevolgen voor de aandacht en de verwerking. Soms is in die zaken het aantal slachtoffers zo groot dat niet ieder persoon individueel wordt geïdentificeerd. Dat betekent dat zij soms niet hun rechten als slachtoffer kunnen krijgen, zegt Mol: gehoord worden in een rechtszaak, in aanmerking komen voor een schadevergoeding of zorg en hulpverlening. „Onze zorg is dat slachtoffers op een gegeven moment niet meer hun recht krijgen binnen het strafrecht. Terwijl recht en erkenning juist belangrijke stappen zijn naar herstel.”

De almaar toenemende aantallen, de vier vrouwen beginnen er steeds weer over. Dat is wat Bicanic het meest is bijgebleven van de bijeenkomst onlangs op die school. „Dat er twee shifts waren van telkens tweehonderd mensen die op de een of andere manier indirect slachtoffer waren geworden. Vierhonderd slachtoffers. En één enkele persoon heeft dat veroorzaakt.”

Van Lier spreekt van een „epidemie”. „Je kunt het haast niet meer aan. En we zullen het probleem helaas nooit helemaal oplossen. Maar dit boek kan wel helpen de samenwerking te verbeteren en zo slachtoffers en andere betrokkenen beter te ondersteunen.”

Lees ook

Deze zes mensen zien het vuilste van wat op internet rondgaat


Geef cadeau

Deel

Mail de redactie