Vorige week verscheen op De Correspondent een stuk waarin Jesse Frederik mijn boek De Symfonie van Onvrede aangreep voor een polemiek over de oorzaken van het succes van radicaal-rechts en de manier waarop wetenschappers daar onderzoek naar doen. Laat ik vooropstellen dat ik een groot voorstander ben van open debat en kritische journalistiek. Ik heb immers bewust een boek geschreven voor een breed publiek. Ik ben de afgelopen maanden ook op zeer uiteenlopende uitnodigingen ingegaan, van gesprekken met Gijs Groenteman, Jesse Frederik tot Marianne Zwagerman, en van interviews in het NRC, FD, het Nederlands Dagblad tot Buitenhof. Kritische vragen en stevige discussie horen daar niet alleen vanzelfsprekend bij, maar zijn zelfs zeer welkom om mijn eigen gedachten te scherpen.

In het stuk van Frederik ging het echter om iets wezenlijk anders. En daarom wil ik nu een grens trekken. Niet bij stevige kritiek of debat, maar bij een werkwijze waarin selectieve lezingen van de literatuur, AI-gestuurde interpretaties en journalistieke polemiek leiden tot verkeerde conclusies. Frederiks stuk bevat verschillende feitelijke onjuistheden, selectieve interpretaties en methodologische tekortkomingen. Wat daarbij vooral wringt, is dat tijdens de correspondentie met Frederik na mijn optreden in zijn podcast een situatie ontstond waarin ik als wetenschapper journalistieke kritiek en AI-gegenereerde analyses over mijn eigen onderzoek moest gaan fact-checken.

Wat mij hierbij zorgen baart, en ook de reden is waarom ik nu publiekelijk reageer, is dat op basis van een onvolledige voorstelling van de wetenschappelijke literatuur en betwistbare heranalyses van mijn onderzoek twijfel wordt gezaaid over wetenschappelijk onderzoek. Terwijl de empirische claims in Frederiks stuk zelf niet aan vergelijkbare standaarden van verificatie en methodologische zorgvuldigheid zijn onderworpen. De manier waarop jarenlang wetenschappelijk onderzoek vervolgens wordt weggezet met opmerkingen als “een weekend voor me, en een Claude Max-abonnement – dus ik dacht: laat ik zelf eens wat proberen!” draagt bovendien niet bij aan een zorgvuldig publiek debat. Integendeel, het versterkt juist argwaan over wetenschappelijke bevindingen. De reacties die op de publicatie volgden, waaronder op GeenStijl, en agressieve comments en mails die ik heb ontvangen, laten zien dat dit soort framing reële gevolgen heeft voor wetenschappers die deelnemen aan het publieke debat. Dat ondermijnt uiteindelijk precies het soort open publieke debat over complexe maatschappelijke problemen dat gebaat is bij zorgvuldigheid, nuance en wederzijds vertrouwen.

Daarom wil ik nu een aantal zaken rechtzetten. Ten eerste de karikatuur die wordt gemaakt van mijn boek en het argument dat daarin centraal staat. Ten tweede de voorstelling van de wetenschappelijke literatuur over radicaal-rechts, en de rol van migratie en publieke voorzieningen. En ten slotte de manier waarop journalistieke framing, AI-gegenereerde analyses en methodologisch problematische interpretaties van bestaand onderzoek steeds meer door elkaar zijn gaan lopen in de kritiek van Frederik op één specifiek artikel.

Een karikatuur van mijn boek

Laat ik beginnen bij het boek zelf. Frederik presenteert De Symfonie van Onvrede grotendeels alsof het zou ontkennen dat zorgen over migratie belangrijk zijn voor steun aan radicaal-rechtse partijen. Dit is eenvoudigweg niet het argument van het boek. De rode draad in mijn boek is de veranderende relatie tussen burger en overheid, en hoe gevoelens van miskenning, verlies van publieke nabijheid en afnemend vertrouwen in instituties bijdragen aan maatschappelijke onvrede. Die ontwikkelingen kunnen burgers gevoeliger maken voor de politieke retoriek van radicaal-rechts, waarbij migratie vaak het thema wordt waar bredere zorgen over het functioneren van de overheid samenkomen. Tegelijkertijd probeert het boek juist te laten zien dat steun voor radicaal-rechts zelden tot één enkele oorzaak is terug te brengen. Daarom gebruik ik de metafoor van een symfonie: verschillende ontwikkelingen die op elkaar inwerken, elkaar versterken en samen bijdragen aan de groei van maatschappelijke onvrede en steun voor radicaal-rechts. Dat bredere verhaal kwam ook in verschillende boekrecensies (Nederlands Dagblad van 8 mei en Volkskrant van 23 mei) nadrukkelijk naar voren.

Binnen de politicologie is al decennialang breed erkend dat migratie-opvattingen een belangrijke voorspeller zijn van steun voor radicaal-rechts (zie bijvoorbeeld het overzichtsartikel van Golder). Dat is absoluut geen controversieel standpunt binnen het vakgebied zoals Frederik claimt, maar wordt juist breed gedragen. De vraag die mij, en vele andere politicologen (en trouwens ook collega-economen), toenemend interesseert, is een andere: waarom worden zulke zorgen in sommige contexten politiek dominanter dan in andere? Waarom vertalen zij zich juist nu zo sterk in stemgedrag? En waarom gaan zij vaak samen met bredere gevoelens van verlies van grip en wantrouwen richting politiek?

Omdat opvattingen over migratie in veel Europese landen vaak veel stabieler zijn dan de electorale groei van radicaal-rechtse partijen zelf, proberen onderzoekers beter te begrijpen hoe zulke opvattingen in interactie met andere maatschappelijke ontwikkelingen politiek relevant worden (zie bijvoorbeeld het boek The Normalization of the Radical Right van Valentim, Oxford University Press).

Juist daarom roept Frederiks behandeling van vragenlijst-onderzoek ook zoveel vragen op. Dat respondenten migratie noemen als reden om op radicaal-rechtse partijen te stemmen, betekent nog niet dat daarmee ook de onderliggende oorzaken van hun stemkeuze en politieke onvrede zijn verklaard. Binnen de politicologie en politieke psychologie weten we al sinds het baanbrekende werk van Zaller (The Nature and Origins of Mass Opinion, Cambridge University Press) uit 1992 dat politieke opvattingen zelden volledig uitgekristalliseerd of ééndimensionaal te vatten zijn. Ook binnen de economie wijzen onderzoekers als Stantcheva erop dat maatschappelijke opvattingen vaak voortkomen uit meerdere overwegingen en niet simpelweg directe afspiegelingen zijn van één enkel onderwerp.

Vragenlijst-antwoorden weerspiegelen daarom vaak een combinatie van beschikbare overwegingen, dominante politieke frames en bredere maatschappelijke ervaringen en zorgen. Antwoorden op verschillende vragen in zo’n vragenlijst geven ook vaak conflicterende zienswijzen van respondenten weer. Dat respondenten in vragenlijsten migratie noemen, zegt dus nog niets over waar zulke zorgen vandaan komen, waarom zij juist nu politiek zo dominant zijn geworden en zich vertalen in een bepaalde stemkeuze, of hoe zij samenhangen met gevoelens van verlies van grip en politiek wantrouwen.

Tegen die achtergrond probeert wetenschappelijk onderzoek niet alleen vast te stellen welke opvattingen samenhangen met stemgedrag, maar ook hoe zulke opvattingen worden gevormd, versterkt en gemobiliseerd. Specifiek onderzoek onder radicaal-rechtse kiezers laat die complexiteit zien. Bijvoorbeeld in zijn boek Roads to the Radical Right (Oxford University Press) laat Damhuis op basis van uitgebreide diepte-interviews met onder meer PVV-stemmers zien dat de routes naar radicaal-rechts sterk uiteenlopen en vaak meerdere sociale, economische en culturele ervaringen combineren.

Wat uit dit onderzoek ook naar voren komt, is dat migratie vaak het punt wordt waar andere zorgen samenkomen: zorgen over wonen, zorg, criminaliteit, regionale achterstelling en het functioneren van de overheid (zie bijvoorbeeld Colantone en Stanig uit 2018, Cavaillé en Ferwerda uit 2023, Damhuis uit 2020, Norris en Inglehart uit 2019, Schulte-Cloos en Leininger uit 2022, Ziblatt en collega’s 2024 en mijn eigen onderzoek met collega’s uit 2026). Dat is niet hetzelfde als zeggen dat migratie “niet belangrijk” zou zijn. Juist daarom vind ik het problematisch dat Frederik zijn discussie over mijn boek uiteindelijk opnieuw versmalt tot een tegenstelling waarin het óf over migratie óf iets anders zou gaan. Door die of-of- framing, in plaats van en-en, verdwijnt precies de verbreding van het publieke debat waartoe dit boek een aanzet probeert te geven.

Een karikatuur van de wetenschappelijke literatuur

Het tweede probleem is dat Frederiks stuk niet alleen een karikatuur maakt van mijn boek, maar ook van de stand van de wetenschappelijke literatuur over migratie, publieke voorzieningen en de opkomst van radicaal-rechts. Daardoor ontstaat ten onrechte de indruk dat onderzoek naar publieke voorzieningen of sociaal-economisch verlies in het algemeen tegenover onderzoek naar migratie-opvattingen zou staan. Dit terwijl veel wetenschappelijke literatuur juist laat zien dat deze factoren in de praktijk vaak nauw met elkaar verweven zijn en elkaar juist versterken.

De suggestie dat politicologisch onderzoek het belang van migratie-opvattingen voor steun aan radicaal-rechts zou ontkennen, is verre van correct. Het negeert decennia aan onderzoek. Nederlandse politicologen zoals Van Holsteyn, Irwin, Pellikaan, De Lange, Van der Meer, Van der Brug, Fennema en Tillie schreven hier al jarenlang uitgebreid over (waaronder ook een stuk van mijzelf met Hakhverdian en Lancee). Ook internationaal behoort onderzoek naar immigratie, culturele veranderingen en identiteit al decennia tot de kern van de literatuur over radicaal-rechts, bijvoorbeeld in het werk van Dancygier, Dinas, Golder, Maxwell, Norris, en Schaub. Voor lezers die dit zelf willen nalezen, heb ik aan het einde van dit stuk een uitgebreide literatuurlijst opgenomen met alle bronnen die ik in dit stuk heb verwerkt.

Des te opmerkelijker is het dat Frederik in zijn stuk suggereert alsof migratie-opvattingen of demografische veranderingen binnen mijn boek of mijn onderzoek buiten beschouwing zouden blijven. Op de eerste bladzijde van een artikel van mij en mijn co-auteurs waar Frederik naar verwijst, noemen wij expliciet de politicologische literatuur over: “grievances related to migration shocks or demographic shifts (Dancygier & Laitin, 2014; Dancygier et al., 2024; Dinas et al., 2019; Maxwell, 2019, 2020; Schaub et al., 2021)” (zie artikel (Cremaschi, mijzelf en anderen uit 2025, op pagina 1981). Tegen die achtergrond is het opmerkelijk dat Frederik in zijn stuk herhaaldelijk suggereert dat immigratie als verklaring voor steun voor radicaal-rechts “onder politicologen weinig populair” zou zijn.

Omdat het belang van migratie-opvattingen breed wordt erkend in de wetenschappelijke literatuur, richt onderzoek zich inmiddels op een vervolgvraag: hoe ontstaan zulke opvattingen, waarom worden zij in sommige contexten en op bepaalde momenten sterker geactiveerd dan in andere, en hoe verhouden zij zich tot bredere maatschappelijke veranderingen?

Binnen de politicologie én de economie bestaat er inmiddels een omvangrijke literatuur die laat zien dat steun voor radicaal-rechts vaak voortkomt uit meerdere, elkaar versterkende factoren. Sommige studies benadrukken reacties op migratie en toenemende diversiteit in de samenleving (bijvoorbeeld Ivarsflaten of Norris en Inglehart). Andere wijzen op economische onzekerheid (bijvoorbeeld Dehdari), regionale achterstelling (bijvoorbeeld Rodríguez-Pose of Ziblatt en collega’s), automatisering (bijvoorbeeld Anelli en collega’s of Im en collega’s), de afname van publieke voorzieningen (bijvoorbeeld Patana, Stroppe of Nyholt) en weer anderen op de opkomst van sociale media (bijvoorbeeld Guriev en collega’s).

Daarnaast wekt Frederik de suggestie dat verklaringen rond de verschraling van publieke voorzieningen, afnemend politiek vertrouwen en de opkomst van radicaal-rechts zouden berusten op een marginale theorie met weinig empirische onderbouwing. Dit is simpelweg onjuist. Binnen politicologie én economie bestaat inmiddels een omvangrijke internationale literatuur die laat zien dat institutionele achteruitgang, regionale ongelijkheid en afnemende publieke dienstverlening politieke gevolgen kunnen hebben. Denk bijvoorbeeld aan het toonaangevende werk van Fetzer, Rathgeb, Patana, Shepherd, Stroppe en Nyholt.

In het stuk van Frederik wordt een complex politiek fenomeen, de opkomst van radicaal-rechts, uiteindelijk teruggebracht tot één verklaring: migratie. Dit terwijl wetenschappelijk onderzoek laat zien dat migratie vaak het punt wordt waar andere maatschappelijke zorgen samenkomen. Complexe politieke fenomenen hebben zelden één enkele oorzaak. Frederiks voorstelling van de literatuur is moeilijk te rijmen met de bestaande stand van het wetenschappelijke onderzoek.

De discussie over één specifiek artikel

Daarnaast bevatte Frederiks stuk een methodologische discussie over één specifiek peer-reviewed onderzoeksartikel dat ik samen met drie co-auteurs publiceerde in de American Journal of Political Science (Cremaschi, Rettl, Cappelluti, en mijzelf uit 2025). Het betreffende onderzoek kwam tot stand na vijf jaar gezamenlijk werk, is uitgebreid besproken op wetenschappelijke conferenties in de politicologie en economie, kritisch gelezen door collega-onderzoekers uit beide disciplines, en heeft vervolgens meerdere rondes van peer review doorlopen (een proces waarbij wetenschappers anoniem het werk van anderen beoordelen).

De correspondentie met Frederik die na de podcast ontstond, mondde uit in een iteratief proces waarin ik journalistieke kritiek op en AI-gegenereerde analyses van mijn eigen onderzoek moest gaan factchecken. Die correcties werden vervolgens weer input voor verdere heranalyses. Frederik vroeg mij daarbij expliciet of ik dacht dat zijn analyse “het waard was om een stuk over te schrijven”. Daardoor verschoof wederhoor geleidelijk van een journalistieke controlefunctie naar een proces waarin wetenschappelijke expertise werd ingezet om journalistieke analyses verder aan te scherpen.

Het bredere wetenschappelijke debat valt niet te reduceren tot een discussie over één statistisch model. Maar omdat Frederik uit zijn heranalyses verstrekkende conclusies trekt over het onderzoek, is enige methodologische verduidelijking hier wel noodzakelijk. Frederik schrijft zelf dat hij inmiddels een commentaar op het betreffende artikel heeft ingediend bij de American Journal of Political Science (zie hier voor zijn repliek). Samen met mijn co-auteurs zullen wij in die context reageren. Dat lijkt mij uiteindelijk ook de meest geschikte plek voor een uitgebreide methodologische discussie over aannames, onderzoeksdesigns en statistische interpretaties.

Ik zal hier daarom niet op ieder detail van Frederiks stuk ingaan, maar mij beperken tot een aantal centrale methodologische punten die relevant zijn voor het bredere debat: eerst de manier waarop Frederiks kritiek het onderzoeksdesign van het artikel interpreteert, vervolgens zijn heranalyses rond bevolkingsdrempels, en tot slot de vergelijking met Frankrijk.

Een belangrijk deel van Frederiks kritiek leest het artikel alsof de causale identificatie berust op een klassieke regression discontinuity-logica rond een bevolkingsdrempel. Het artikel maakt echter expliciet gebruik van een difference-in-differences design gebaseerd op veranderingen over tijd in blootstelling aan de hervorming. Dit is geen klein detail, maar raakt direct aan de logica van de causale identificatie. Dit wordt expliciet besproken op pagina’s 1585–1588, 1589–1590 en in de appendix.

Het artikel onderzoekt de gevolgen van een omvangrijke Italiaanse hervorming uit 2010 die gemeenten onder bepaalde bevolkingsgrenzen verplichtte publieke diensten gezamenlijk te organiseren. Daarbij golden in de wet vastgestelde verschillende bevolkingsgrenzen voor verschillende typen gemeenten: voor reguliere gemeenten lag de grens op 5.000 inwoners, voor berggemeenten op 3.000 inwoners. Alle gemeentes onder die grenzen werden in het onderzoek meegenomen. De hervorming werd bovendien,  zoals wij in het artikel uitleggen, gefaseerd ingevoerd officieel tussen 2013 en eind 2014. De centrale empirische vraag in het artikel betreft daardoor veranderingen over tijd tussen getroffen en niet-getroffen gemeenten, en niet uitsluitend lokale verschillen rond één bevolkingsdrempel.

Tegelijkertijd presenteren we in het artikel in aanvullende analyses rond bevolkingsdrempels, onder verwijzing naar het werk van Eggers en collega’s uit 2018 over de mogelijke methodologische problemen van dit soort onderzoeksdesigns in ons soort context. In Online Appendix H rapporteren wij deze analyses ook expliciet en transparant. Daarnaast rapporteren we in het artikel ook event studies, parallel-trends-toetsen en aanvullende robuustheidsanalyses.

In het artikel leggen wij daarnaast uit waarom wij in deze context uiteindelijk meer vertrouwen hebben in de difference-in-differences-analyses die in het artikel worden gepresenteerd dan in regression discontinuity-analyses rond bevolkingsdrempels. Daarvoor noemen wij drie redenen. Ten eerste gebruiken deze analyses alle getroffen gemeenten, terwijl de regression discontinuity-analyses zich beperken tot gemeenten vlak rond de bevolkingsgrenzen. Die beperktere steekproef vermindert de statistische kracht en maakt de schattingen gevoeliger voor non-compliance, wat in onze context bijzonder relevant is omdat slechts een deel van de getroffen gemeenten de hervorming daadwerkelijk implementeerden. Ten tweede zijn analyses precies rond bevolkingsdrempels gevoeliger voor meet- en classificatieproblemen in bevolkingsgegevens, zoals wij in het artikel uitleggen. Ten derde wijzen de verschillende analyses in het artikel in dezelfde richting en ondersteunen dus onze bevindingen.

Een deel van Frederiks heranalyses richt zich juist op zeer smalle bandbreedtes rond bevolkingsdrempels. Zulke analyses beantwoorden echter een andere empirische vraag en berusten op andere aannames dan de hoofdanalyse van het artikel. Dat maakt ze niet per definitie oninteressant, maar niet één-op-één vergelijkbaar. Uit zulke heranalyses volgt daarom niet dat de bevindingen van onze studie niet zouden kloppen, zoals Frederik suggereert.

Daarnaast berust een deel van Frederiks kritiek op het gebruik van controle-casussen (zogenaamde placebos) met alternatieve bevolkingsdrempels of andere landen. Daarbij lijkt Frederiks redenering te zijn dat wanneer vergelijkbare analyses ook effecten vinden op plekken waar eigenlijk geen effect verwacht zou worden, dit de geloofwaardigheid van het oorspronkelijke onderzoeksdesign ondermijnt. Maar deze redenering is problematisch. Zulke analyses (zogenaamde placebo-tests) kunnen best informatief zijn, maar alleen als de placebos valide zijn en dat vereist sterke statistische aannames. Zoals experts op dit gebied, Eggers en collega’s in een artikel uit 2024, uiteenzetten, zijn placebo-tests alleen informatief wanneer de analyse voldoende vergelijkbaar zijn met het oorspronkelijke analyse en design. Ze kunnen daarom niet willekeurig gekozen kunnen worden, zoals hier het geval is met de alternatieve bevolkingsdrempels. Wederom volgt hieruit dat de heranalyses niet de verstrekkende conclusies onderbouwen die Frederik eraan verbindt.

Iets vergelijkbaars geldt voor de vergelijking met Frankrijk als placebo. Frankrijk kan echter moeilijk als een placebo worden behandeld, omdat het land, in tegenstelling tot wat Frederik in zijn stuk suggereert, in dezelfde periode wel degelijk een omvangrijke hervorming van lokaal bestuur en publieke voorzieningen heeft plaatsgevonden (via de Loi n° 2010-1563), waarin gemeentegrootte en intergemeentelijke samenwerking een belangrijke rol speelden. Kortom, Frankrijk is geen valide placebo. De analyses die Frederik met Frankrijk presenteert moeten dus ook niet zo worden gelezen.

In een publieksboek worden de details van hervormingen, onderzoeksdesigns en statistische aannames vanzelfsprekend minder technisch uitgewerkt dan in een wetenschappelijk artikel. In het boek werd daarom expliciet via voetnoten verwezen naar het onderliggende artikel voor lezers die zich verder in die methodologische details wilden verdiepen. Juist daarom is het belangrijk dat kritiek zich zorgvuldig verhoudt tot de analyses en het onderzoeksdesign zoals die in het artikel zelf worden uiteengezet. Op cruciale punten wijkt Frederiks interpretatie daar echter van af. Daarmee worden uiteindelijk met grote stelligheid conclusies getrokken die niet per se uit de heranalyses volgen.

AI, journalistiek en bewijsvoering

Dit alles brengt mij bij een algemeen punt over hoe er met empirische bewijsvoering, verificatie en transparantie wordt omgegaan door Frederik en De Correspondent. Wat voor mij duidelijk is geworden, is hoe sterk generatieve AI de verhouding tussen journalistiek, expertise en bewijsvoering begint te veranderen. Met systemen als Claude kunnen journalisten tegenwoordig analyses draaien, code genereren en statistische interpretaties produceren. Dat democratiseert datajournalistiek, maar creëert tegelijkertijd nieuwe vragen over verificatie, methodologische expertise en transparantie.

Generatieve AI produceert plausibele output. Dat is iets anders dan daadwerkelijke verificatie. Code kan technisch correct draaien. Maar de onderliggende logica van het statistische model met bijbehorende aannames hoeft niet juist te zijn. Methodologische kritiek kan plausibel ogen zonder dat zij daadwerkelijk aansluit op het onderzoeksdesign dat wordt bekritiseerd, of zonder dat cruciale statistische aannames zijn getoetst.

Mijn collega Dan de Kadt, verbonden aan de London School of Economics, vergelijkt het gebruik van AI in data-analyse met vliegen op de automatische piloot. Moderne vliegtuigen kunnen een groot deel van het vliegwerk automatiseren. Maar dat betekent niet dat piloten de principes van aerodynamica, vliegen of noodprocedures niet meer hoeven te begrijpen. Integendeel: juist wanneer systemen falen of onverwachte output produceren, wordt fundamentele expertise cruciaal. Een piloot die de onderliggende principes van vliegen niet begrijpt, is gevaarlijk in iedere cockpit.

Die analogie geldt ook voor journalistiek en AI-gestuurde data-analyse. Generatieve AI maakt het eenvoudiger om modellen te draaien, code te schrijven en statistische output te produceren. Maar de fundamentele principes van methodologie, causaliteit en onderzoeksdesign veranderen daardoor niet. De journalist blijft uiteindelijk verantwoordelijk voor de verificatie en interpretatie van de analyse, net zoals de piloot verantwoordelijk blijft voor de vlucht. Generatieve AI verandert de noodzaak van methodologische expertise niet, zij maakt die juist urgenter.

Juist daarom vraagt publiek debat over wetenschappelijk onderzoek om zorgvuldigheid, transparantie en een eerlijke weergave van bestaande literatuur. Niet omdat wetenschappelijk onderzoek boven kritiek verheven zou zijn, maar omdat complexe maatschappelijke fenomenen zelden terug te brengen zijn tot één enkele verklaring of één enkele regressie. Dat geldt ook voor de opkomst van radicaal-rechts. Het probleem met het stuk van Frederik is uiteindelijk niet alleen dat het feitelijke onjuistheden en methodologische tekortkomingen bevat, maar vooral dat het opnieuw precies die versmalling reproduceert waar mijn boek juist tegen probeert in te gaan: de neiging om complexe maatschappelijke onvrede terug te brengen tot één oorzaak, en daarmee het bredere gesprek over miskenning, publieke voorzieningen, vertrouwen in de politiek en middenpartijen opnieuw uit beeld te laten verdwijnen.

Samenvattend

Ik dank Jesse Frederik voor de aandacht voor mijn boek en onderzoek. Tegelijkertijd maak ik mij zorgen over de manier waarop journalistiek, AI-gegenereerde analyses en wetenschappelijke kritiek hier door elkaar zijn gaan lopen. Juist omdat De Correspondent zichzelf profileert als een platform voor zorgvuldige, onafhankelijke journalistiek, eindig ik met drie suggesties.

1. Waarheidsgetrouw: Met generatieve AI kan een journalist tegenwoordig veel. Maar een “weekend Claude Max-abonnement” is nog iets anders dan zorgvuldig aantonen dat jarenlang wetenschappelijk onderzoek dat onafhankelijk getoetst is, ondeugdelijk zou zijn. Juist wanneer AI wordt ingezet vraagt dat om extra verificatie, transparantie en terughoudendheid.

2. Fair: Kritische journalistiek vraagt ook om een zorgvuldige en evenwichtige representatie van zowel het maatschappelijke debat als het bestaande onderzoek. In Frederiks stuk worden beide selectief weergegeven, waardoor er een versmald beeld ontstaat van zowel het academische als het publieke debat over de opkomst van radicaal-rechts.

3. Open vizier: De Correspondent schrijft in haar manifest dat haar missie is om mensen “dieper inzicht te geven in hoe de wereld werkt”. Dat vraagt niet alleen om scherpe vragen, maar ook om een bereidheid om bestaande aannames te herzien wanneer argumenten minder goed passen binnen het oorspronkelijke narratief. Juist bij complexe maatschappelijke fenomenen is die openheid essentieel.

Literatuurlijst

Anelli, M., Colantone, I., & Stanig, P. (2021). Individual vulnerability to industrial robot adoption increases support for the radical right. Proceedings of the National Academy of Sciences, 118(47), e2111611118.

Cavaillé, C., & Ferwerda, J. (2023). How distributional conflict over in-kind benefits generates support for far-right parties. The Journal of Politics, 85(1), 19-33.

Colantone, I., & Stanig, P. (2018). The trade origins of economic nationalism: Import competition and voting behavior in Western Europe. American Journal of Political Science, 62(4), 936-953.

Cremaschi, S., Rettl, P., Cappelluti, M., & De Vries, C. E. (2025). Geographies of discontent: Public service deprivation and the rise of the far right in Italy. American Journal of Political Science, 69(4), 1581-1599.

Damhuis, K. (2020). Roads to the Radical Right: Understanding Different Forms of Electoral Support for Radical Right-Wing Parties in France and the Netherlands. Oxford University Press.

Dancygier, R. M. (2010). Immigration and Conflict in Europe. Cambridge University Press.

Dancygier, R. M., & Laitin, D. D. (2014). Immigration into Europe: Economic discrimination, violence, and public policy. Annual Review of Political Science, 17(1), 43-64.

Dancygier, R., Dehdari, S. H., Laitin, D. D., Marbach, M., & Vernby, K. (2025). Emigration and radical right populism. American Journal of Political Science, 69(1), 252-267.

Dehdari, S. H. (2022). Economic distress and support for radical right parties: Evidence from Sweden. Comparative Political Studies, 55(2), 191-221.

De Vries, C. E. (2025). De Symfonie van Onvrede: De Opmars van Radicaal-Rechts in Europa. Querido Facto.

De Vries, C. E., Hakhverdian, A., & Lancee, B. (2013). The dynamics of voters’ left/right identification: The role of economic and cultural attitudes. Political Science Research and Methods, 1(2), 223-238.

Dickson, Z. P., Hobolt, S. B., De Vries, C. E., & Cremaschi, S. (2026). Public Service Decline and Support for the Populist Right. Te verschijnen in de American Political Science Review.

Dinas, E., Matakos, K., Xefteris, D., & Hangartner, D. (2019). Waking up the golden dawn: does exposure to the refugee crisis increase support for extreme-right parties? Political Analysis, 27(2), 244-254.

Eggers, A. C., Freier, R., Grembi, V., & Nannicini, T. (2018). Regression discontinuity designs based on population thresholds: Pitfalls and solutions. American Journal of Political Science, 62(1), 210-229.

Eggers, A. C., Tuñón, G., & Dafoe, A. (2024). Placebo tests for causal inference. American Journal of Political Science, 68(3), 1106-1121.

Fetzer, T. (2019). Did austerity cause Brexit? American Economic Review, 109(11), 3849-3886.

Frederik, Jesse (2025). Vreemd maar waar: de meest plausibele verklaring voor de opkomst van radicaal-rechts is ook de minst populaire. De Correspondent 21 mei.

Golder, M. (2016). Far right parties in Europe. Annual Review of Political Science, 19(1), 477-497.

Guriev, S., Melnikov, N., & Zhuravskaya, E. (2021). 3G internet and confidence in government. The Quarterly Journal of Economics, 136(4), 2533-2613.

Im, Z. J., Mayer, N., Palier, B., & Rovny, J. (2019). The “losers of automation”: A reservoir of votes for the radical right? Research & Politics, 6(1), 2053168018822395.

Ivarsflaten, E. (2008). What unites right-wing populists in Western Europe? Re-examining grievance mobilization models in seven successful cases. Comparative Political Studies, 41(1), 3-23.

Maxwell, R. (2019). Cosmopolitan immigration attitudes in large European cities: Contextual or compositional effects? American Political Science Review 113(2): 456–74.

Maxwell, R. (2020). Geographic divides and cosmopolitanism: Evidence from Switzerland. Comparative Political Studies, 53(13), 2061-2090.

Norris, P., & Inglehart, R. (2019). Cultural Backlash: Trump, Brexit, and Authoritarian Populism. Cambridge University Press.

Nyholt, N. (2024). Left behind: Voters’ reactions to local school and hospital closures. European Journal of Political Research, 63(3), 884-905.

Patana, P. (2020). Changes in local context and electoral support for the populist radical right: Evidence from Finland. Party Politics, 26(6), 718-729.

Patana, P. (2022). Residential constraints and the political geography of the populist radical right: Evidence from France. Perspectives on Politics, 20(3), 842-859.

Pellikaan, H., de Lange, S. L., & van der Meer, T. (2007). Fortuyn’s legacy: Party system change in the Netherlands. Comparative European Politics, 5(3), 282-302.

Rathgeb, P. (2024). How the Radical Right Has Changed Capitalism and Welfare in Europe and the USA. Oxford University Press.

Rodríguez-Pose, A. (2018). The revenge of the places that don’t matter (and what to do about it). Cambridge Journal of Regions, Economy and Society, 11(1), 189-209.

Schaub, M., Gereke, J., & Baldassarri, D. (2021). Strangers in hostile lands: Exposure to refugees and right-wing support in Germany’s eastern regions. Comparative Political Studies, 54(3-4), 686-717.

Schulte-Cloos, J., & Leininger, A. (2022). Electoral participation, political disaffection, and the rise of the populist radical right. Party Politics, 28(3), 431-443.

Shepherd, M. E. (2025). The politics of rural hospital closures. Political Behavior, 47(3), 915-961.

Stantcheva, S. (2023). How to run surveys: A guide to creating your own identifying variation and revealing the invisible. Annual Review of Economics, 15(1), 205-234.

Stroppe, A. K. (2023). Left behind in a public services wasteland? On the accessibility of public services and political trust. Political Geography, 105, 102905.

Valentim, V. (2025). The Normalization of the Radical Right: A Norms Theory of Political Supply and Demand. Oxford University Press.

Van der Brug, W., Fennema, M., & Tillie, J. (2005). Why some anti-immigrant parties fail and others succeed: A two-step model of aggregate electoral support. Comparative Political Studies, 38(5), 537-573.

Van Holsteyn, J. J., & Irwin, G. A. (2003). Never a dull moment: Pim Fortuyn and the Dutch parliamentary election of 2002. West European Politics, 26(2), 41-66.

Zaller, J. (1992). The Nature and Origins of Mass Opinion. Cambridge University Press. Ziblatt, D., Hilbig, H., & Bischof, D. (2024). Wealth of tongues: Why peripheral regions vote for the radical right in Germany. American Political Science Review, 118(3), 1480-1496.