Een groep van zo’n honderd voormalig politieagenten uit Assen worstelt nog altijd met het harde optreden tegen Molukkers in de jaren zeventig. De regering zou hen hebben opgedragen om protesten met geweld de kop in te drukken. De oud-dienders willen nu erkenning van de regering voor het leed onder politieagenten die de opdrachten uitvoerden.

Premier Rob Jetten bood vorige maand namens de Nederlandse staat excuses aan voor de foute behandeling van de Molukkers die gedwongen naar Nederland kwamen. Volgens de oud-agenten kregen zij door dat verkeerde beleid te maken met traumatische ervaringen en werden ze gedwongen tot acties waar ze niet achter stonden.

De agenten hopen dat er vijftig jaar later waardering komt voor hun handelen en ze meer begrip krijgen voor de ingewikkelde situatie waarin zij hun werk hebben moeten doen. In twee verzoekschriften aan de gemeente Assen en de Stichting Waardering Erkenning Politie vragen ze om erkenning van de overheid van wat zij hebben meegemaakt.

Agenten kwamen meermaals in vuurgevechten terecht. Soms werden zelfs hun gezinnen bedreigd, vertelt gepensioneerd politieagent Ed Jissink (76). Hij werkte in de jaren zeventig in Assen, toen de spanningen op het kookpunt waren. “Mijn vrouw heeft ook een tijdje moeten onderduiken. En een collega kreeg eens een molotovcocktail tegen zijn huis aan gegooid”, legt de voormalig diender uit.

Molukse jongeren eisten in de jaren zeventig dat Nederland zich zou inzetten voor de erkenning van een eigen Molukse staat, maar de overheid deed dat niet. In plaats daarvan greep de regering steeds harder in tegen Molukse acties. De gijzeling op een basisschool in Bovensmilde, de bezetting van het provinciehuis in Assen en twee treinkapingen bij Wijster en De Punt vloeiden voort uit frustratie en boosheid over de opstelling van de Nederlandse regering.

De politie kreeg als opdracht om keihard op te treden bij acties en protesten van Molukkers, vertelt oud-agent Koos Scheper (74). Dat werkte volgens hem juist averechts. “Geweld leidde alleen maar tot nog meer geweld. Als we de ene dag een peloton ME’ers stuurden, kon je er de volgende keer wel twee sturen”, memoreert Scheper.

De Asser agenten kwamen tot de conclusie dat het harde ingrijpen niet werkte om de rust te laten terugkeren. Dus besloten ze zich te mengen tussen de demonstranten, tegen de orders van hogerhand in. Jissink: “Als groepscommandant wilde ik dat de ME zich buiten het centrum zou klaarmaken, in plaats van dat ze al in de buurt waren bij een demonstratie. Wij kenden de jongeren die demonstreerden en gingen met hen in gesprek over wat wel en wat niet kon. Dat werkte.”

Het negeren van orders werd volgens de agenten niet zonder weerstand geaccepteerd door de korpsleiding. Het werd volgens Jissink gezien als ongehoorzaamheid. Ook toen hij weigerde met zijn eenheid deel te nemen aan een training om te leren schieten op demonstranten. “Bevel was in die tijd bevel. Maar ik heb tegen de korpsleiding gezegd dat we daar niet aan meedoen. Dat zorgde voor veel verbaasde blikken.”

Voor die afwijkende manier van werken kregen de agenten tot op de dag van vandaag geen erkenning, net als voor de trauma’s die sommige collega’s opliepen naar aanleiding van de gebeurtenissen. Scheper weet nog hoe twee agenten in een hinderlaag werden gelokt.

“Dat gebeurde op de Europaweg-West in Assen. Ze reden daar met hun politieauto en werden plots met een automatisch wapen onder vuur genomen. De wagen was doorzeefd met kogels, het is een wonder dat ze dat overleefd hebben”, zegt de oud-agent. Collega Jissink weet dat de betreffende politiemannen tot op late leeftijd last van dat incident hebben gehad. “Eén van hen wordt nog steeds ’s nachts wakker, omdat hij het moment van de rondvliegende kogels herbeleeft.”

Die gewetensstrijd is niet onopgemerkt gebleven. Augustinus Tuparia, destijds voorzitter van de Molukse Wijkraad in Assen, reageert met veel empathie op de roep om erkenning van de oud-dienders. “Ik begrijp hun spanning heel goed”, zegt Tuparia tegen Nieuwsuur. “Je moest de openbare orde handhaven, terwijl je tegelijkertijd het Molukse verdriet begreep en de geschiedenis kende. Dat zorgde voor een enorme strijd met het geweten.”

Tot op de dag van vandaag komt Tuparia de oud-politiemensen tegen in de stad. “Dan geven we elkaar de hand en kijken we kort terug. We geven dan over en weer toe: er is destijds het nodige gebeurd wat eigenlijk niet had hoeven te gebeuren. De geschiedenis van de jaren zeventig is een gemeenschappelijke geschiedenis waarin we elkaar pijn hebben gedaan. Nu is het moment van verzoening aangebroken.”

Oud-agent Jissink hoopt dat de verzoekschriften uiteindelijk ook als effect hebben dat de politie en de samenleving niet dezelfde fouten maken als de overheid destijds met de Molukkers deed. Ook nu ziet hij dat sommige bevolkingsgroepen op een andere manier behandeld worden.

“Dan wordt er gesproken over ‘wij’ en ‘jullie’, in plaats van ‘wij samen’. Nog steeds wordt de politie soms gebruikt als een wapen tegen buitenstaanders, in plaats van de verbinding te zoeken. Natuurlijk gaat het soms te ver en is de harde hand nodig. Maar erkenning zou ook kunnen zijn dat de politie reflecteert op de lessen die we toen hebben geleerd en hoe dat nu gaat.

De gemeente Assen laat weten het verzoekschrift te hebben ontvangen, maar heeft nog geen tijd gehad om er op te reageren. Ook de Stichting Waardering Erkenning Politie heeft de brief binnen, al geeft een woordvoerder aan dat de agenten aan het verkeerde adres zijn. “Wij richten ons alleen op agenten die nu nog in dienst zijn”, zegt de woordvoerder, die de oud-politiemensen aanraadt om de brief naar de huidige korpsleiding te sturen.