© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)

Tijd is soms moeilijk te vatten. Je knippert met je ogen en je bent enkele dagen verder. We zagen de voorbije dagen een reeks heel straffe acts, waarbij elke headliner op zijn eigen manier bewees waarom hij bovenaan de affiche stond. Voor veel bands was Rock en Seine het eindpunt van de festivalzomer, maar van vermoeidheid viel bij de artiesten nergens iets te merken. Voor sommigen wacht een najaarstoer, voor anderen de donkere wintermaanden in de studio. Of, zoals bij Nick Cave, gewoon even weg van alles. Voor het doek viel over de editie van 2026 werden we nog één keer royaal bediend, deze keer vooral met het betere zweverige gitaarwerk.

Ecca Vandal @ Scene BoursoBank

© CPU – Jan Van Hecke (archief)

Lichtjes excentriek en boordevol talent: het zou zomaar over Ecca Vandal kunnen gaan. De Australische bracht bijna de hele zomer in Europa door om aan haar carrière te timmeren, en dat gaat duidelijk in kleine stapjes. Ook op het Boursobank-podium bleef de opkomst aan de magere kant. Ecca Vandal maalde daar niet om. Ze smet zich, porde het handvol volk aan om te dansen en probeerde met haar mix van rock, hiphop en een streepje avant-garde alsnog zieltjes te winnen in Parijs. Dat avontuurlijke kantje komt niet uit de lucht vallen: ze studeerde jazz aan het conservatorium in Melbourne voor ze bij punk en hiphop belandde. Volgende week staat ze in de AB Club, en dat lijkt ons een pak betere setting om die muziek helemaal tot zijn recht te laten komen.

Love Spells @ AXS Scene

Love Spells had het moeilijk in Parijs, en dat lag vooral aan een bijzonder matige geluidsmix. Zijn falset moest van de eerste noot af opboksen tegen de instrumentatie, en die strijd verloor hij geregeld. Alle lof voor de goede moed die hij erin hield, maar muzikaal dobberde hij het eerste kwartier vooral op een windstille Seine. De split die hij bij “Lovers Only” uit zijn benen schudde, was dan weer knap, en deed even aan de fratsen van James Brown denken. Het kantelde zodra hij zijn in-ears uitdeed en het met de monitormix stelde. Vanaf dat moment klonk hij hoorbaar zelfzekerder. Het zacht erotische “Kiss Me Slow This Time” deed de harten sneller slaan, terwijl de mondharmonica op “Don’t Touch” het nummer een americanatoets meegaf. Toch was Love Spells op zijn best wanneer hij de show even liet vallen en gewoon zong. “Crutch” bewees dat. Zijn uitstraling helpt, daar niet van, maar met sterke zang doe je ons nog altijd het meeste plezier. Met het afsluitende “Reach Out and Kiss Me” landde hij soeverein: de handjes gingen vlot de lucht in en wuifden hem op gepaste wijze uit. Nog wat schaven en een drietal sterke nummers erbij, en Love Spells kan in de nabije toekomst weleens iets betekenen.

Slowdive @ Grand Scene

© CPU – Ymke Dirikx (archief)

Slowdive kwam het podium op zoals ze dat al dertig jaar doen: onder “Deep Blue Day” van Brian Eno, het ambientstuk dat hun intromuziek is sinds mensenheugenis. Wie de band kent, wist dan al dat het volgende uurtje geen centimeter zal versnellen. Gelukkig maar want liet dat nu net de bedoeling zijn. Wat ook nu meteen weer opviel, was het geluid. Perfect in de mix, van de eerste tot de laatste seconde. Bij een band die haar hele identiteit op gitaargalm bouwt, is dat geen detail te noemen. De visuals achter hen zouden in het donker ongetwijfeld beter tot hun recht komen, maar zelfs in het namiddaglicht voegden ze iets toe. Rachel Goswell zong als een engeltje. Haar stem zweefde boven de songs. “Star Roving” en “Catch the Breeze” zetten de toon, “Souvlaki Space Station” trok de boel de ruimte in. Ergens rond “Machine Gun” viel het ons op dat we ondertussen nergens anders meer aan dachten.

Het was een set zonder dalen, maar met één moment dat er nog bovenuit stak. Bij “Sugar for the Pill” leek alles even op zijn plaats te vallen, en met “kisses” bouwde de band verder naar een climax die pas bij het afsluitende “40 Days” helemaal losliet. Fans van The Cure hebben in hun carrière al veel ergere voorprogramma’s moeten doorstaan. Zo vreemd is dit nu ook niet want bij momenten schoot het ons door het hoofd dat er best wat Robert Smith-invloeden te bespeuren zijn. Het leek Slowdive geen moeite te kosten en net daarom plaatsen wij het bij de beste shows die we dit weekend zagen op Rock en Seine.

Wolf Alice @ Scene BoursoBank

© CPU – Senne Houben (archief)

Wolf Alice was aan haar laatste festivaldag van de zomer toe, en dat mocht je weten. Ellie Rowsell verscheen in een witte jurk met zwarte laarzen, een silhouet dat op de Scène Boursobank meteen bleef hangen. Wat minder goed zat, waren haar inner ears: de hele show door bleef ze eraan frunniken, met die typische halve draai van het hoofd van iemand die zichzelf niet goed hoort. Het deerde haar echter niet want ze bespeelde haar volledige stembereik alsof er geen vuiltje aan de lucht was, van fluisterzacht tot de rauwe uithalen die haar handelsmerk zijn. Halverwege mochten twee jonge meisjes mee het podium op om te dansen bij “Just Two Girls”. Het had iets van een chiromoment: onhandig, maar oprecht, en net daarom charmant. Wolf Alice speelde de laatste show van hun overvolle festivalzomer. En dat mocht gevierd worden. Een shotje op het podium, en daarna zette de band “Don’t Delete the Kisses” in als afsluiter. Wederom werden we in Parijs verwent met een zeer sterk optreden, ondanks misschien dat kleine lastige gevecht met de oortjes.

Interpol @ Grand Scene

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)

De meeste bands kwamen naar Parijs met nieuw werk onder de arm, maar bij Interpol lag de plaat nog letterlijk na te koelen: This Mirror Weighs a Ton ligt pas sinds vrijdag in de rekken. Van enige terughoudendheid was echter geen sprake. Hit “Evil” werd meteen van stal gehaald om wat animo aan het hoofdpodium te brengen. De kracht van Rock en Seine schuilt onder andere in het vermogen om groepen op bepaalde momenten groter te laten lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Het lijkt ons sterk dat Interpol zelfs in zijn artistieke piekperiode op menig hoofdpodium vlak voor The Cure had mogen aantreden. Daar staat tegenover dat podiumervaring een sleutelrol speelt, en die hebben ze. Mocht het Parijse politiekorps ooit nood hebben aan versterking, dan is het bij dit New Yorkse gezelschap aan het juiste adres. Met de zonnebrillen op de neus en de haren strak naar achteren gekamd was er weinig ruimte voor nuance. De toebedeelde zeventig minuten moesten optimaal worden benut, met statische riffs, dreigende baslijnen en strakgespannen drumpatronen als fundament, gegoten in een grijs visueel bedje van abstractie en zelfreflectie. Door de beklemming van de temperatuur en het doorleefde festivalterrein kon echter niet alles blijven boeien. Uit de geliefde albums werd uiteraard gretig geput, maar iets meer interactie had hier wellicht nog enkele deuren kunnen openen.

Mogwai @ Scene BoursoBank

© CPU – Joost Van Hoey (archief)

De Schotten van Mogwai kregen zowat de meest ondankbare plek van de dag toegewezen: vlak voor The Cure. Dat was meteen te merken aan de ruimte rond het tweede podium. Mogwai is een straffe band, dat staat buiten kijf, maar de keerzijde van de medaille is dat ze in een niche zitten. Zang is bij de meeste songs overbodig, en dus moet er gespeeld worden met klanken en reliëf. Dat dat perfect kan werken, bewees “New Paths to Helicon, Pt. 1”. Hun muziek vraagt wel een bepaalde overgave: ogen dicht en je laten meedrijven op de atmosferische klanken. Echte hits heeft de band niet, waardoor de interactie met het publiek beperkt bleef. Pas toen “Ritchie Sacramento” inzette, voelde je dat tikkeltje meer opwinding. Wie om zich heen keek, zag ondertussen hoe de aanwezigen stilaan eieren voor hun geld kozen en zich een goed plekje gingen verzekeren aan de Grande Scène. Jammer, want Mogwai speelde een strakke, goede set. Geen seconde was de band op verslapping te betrappen; ze werkten het uur professioneel af. Wij gaan graag nog eens kijken, maar dan in een betere setting. Te beginnen binnenkort in Bozar.

The Cure @ Grande Scene

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)

Er was maar één echte headliner op deze vijfdaagse, en dat wist je al voor er een noot geklonken had. Je moest enkel naar de t-shirts kijken. Het was drummen voor een plekje aan de Grande Scène, en op de eerste rij stonden die-hards die daar al sinds de poorten opengingen post hadden gevat. Robert Smith en de zijnen draaien intussen bijna een halve eeuw mee, en zoals alles in het leven kende dat zijn pieken en dalen. Door de ondergrens zakten ze nooit, maar de menigten waren niet altijd even talrijk. Wat de voorbije jaren veranderde, zag je hier met eigen ogen: een aanzienlijk deel van het publiek bestond uit jonge kids die Disintegration alleen van horen zeggen kunnen kennen. Dat herboren succes werd bezegeld met Songs of a Lost World, en het is uit die plaat dat ze de avond openden. “Alone” is geen song die je publiek bij de keel grijpt, maar een die het langzaam binnenwenkt: bijna zeven minuten intro voor Smith zijn eerste woord zingt.

Wat volgde, was een set die de hele carrière als één doorlopende lijn behandelde. “Pictures of You” kreeg de volle ruimte die het nodig heeft. Eén song had een lading die niemand had kunnen plannen. Bij “Three Imaginary Boys” ging het helemaal terug naar 1979, en dat de band die titeltrack anno 2026 nog altijd overtuigend brengt, zegt genoeg over hoe weinig hun materiaal gedateerd is geraakt. “The Last Day of Summer” viel op de laatste dag van een festival dat vijf dagen lang tussen zon en regen had gebalanceerd. In het park van Saint-Cloud lagen de eerste bladeren al op de grond, en de buien die geregeld overtrokken hadden het terrein al een week een herfstkleur gegeven. Alsof The Cure zei; de zomer is mooi geweest, maar nu is het tijd om terug gezellig binnen te kruipen. “Burn” bracht het duister uit de jaren negentig terug, terwijl “A Forest” bleef doen wat het al sinds 1980 doet: opbouwen om dan enkel weg te sterven in de donkerte, tot er alleen nog bas overblijft. “Endsong” sloot de reguliere set af zoals het hoort: ruim tien minuten waarin de band de boel eerst helemaal opbouwt en dan langzaam laat instorten. Een afsluiter die eigenlijk geen bis meer verdraagt.

Maar die bijzonder kwam er natuurlijk wel. En wat voor een! Tien hits op een rij. Van “Lullaby” over “The Walk” en “The Lovecats” tot “Friday I’m in Love”, “Close to Me” en uiteindelijk “Boys Don’t Cry”: een reeks die aan elkaar geregen werd zonder dat er nog één seconde ruimte zat om na te denken. Het is het oude Cure-trucje – een set die je eerst een uur lang naar binnen trekt en je daarna dansend buitenzet – maar het blijft werken omdat geen enkele andere band een catalogus heeft die beide kanten zo overtuigend bedient. Rock en Seine had geen betere afsluiter kunnen bedenken.