Als tiener droomde ik ervan ooit aan een gerenommeerde universiteit te studeren. Dat verlangen kwam voort uit mijn fascinatie voor wetenschap, maar ook uit de wens mijn geest te bevrijden van het islamitische despotisme en mijn gedachten vrij te laten bewegen in werelden die niet de mijne waren. In het postrevolutionaire Iran van de jaren tachtig was voor zo’n toekomst geen plaats. Oorlog en revolutie lagen als een loodzware deken over mijn generatie. Op mijn vierenveertigste bracht die oude droom mij uiteindelijk als student naar Cambridge. Denkend aan mijn jeugd liep ik door de stad, tot ik voor het ijzeren hek van Senate House stond.

Aan het hek hingen bloemen, foto’s en handgeschreven briefjes voor de jonge zwarte hoogleraar Jason Arday, die door Cambridge was gepresenteerd als de ultieme belichaming van de toegankelijkheid van een van de oudste en meest prestigieuze universiteiten ter wereld. Hoewel het onderzoek naar de benoeming van Arday nog loopt en het dus de vraag is in hoeverre hij ‘voorrang’ had gekregen, confronteerde het hek mij met een mogelijke keerzijde van ongelijke behandeling. Om achterstanden te verkleinen, behandelen sommige universiteiten en andere instellingen mensen bewust ongelijk. Dat kan nodig en rechtvaardig zijn. Maar wanneer zij degene die de achterstand overwint vervolgens symbool van hun deugdzaamheid maken, raakt zijn prestatie verknoopt met hun reputatie.

Laat daar geen misverstand over bestaan: achterstanden zijn reëel. Of je nu Jason Arday heet, je vader in Oost-Groningen drieploegendienst draaide of hij als gastarbeider werkzaam was in de Rotterdamse haven: je begint met een flinke achterstand op degenen die de taal, codes en netwerken van het academische leven met de paplepel ingegoten kregen. Zij bewandelden een weg die al generaties voor hen was geplaveid, terwijl jij de weg zelf nog moest uitvinden. Dat Nederland zulke verschillen kende, paste aanvankelijk niet bij mijn utopische beeld van gelijkheid als vanzelfsprekende verworvenheid van westerse democratieën. Inmiddels loop ik hier lang genoeg rond om te weten dat het idee dat iedereen vanaf dezelfde startlijn vertrekt een meritocratische illusie is. Gelijkheid begint dus niet met je ogen te sluiten voor al die verschillen. Maar het wegnemen van achterstanden is iets anders dan ze tot verdienste te verheffen.

Die grens heeft mij altijd beziggehouden. Misschien omdat mijn eigen levensloop zich zo gemakkelijk laat vertellen als een aansprekend emancipatieverhaal. Ik groeide op tijdens de oorlog, vluchtte om politieke redenen en moest in Nederland vanaf nul beginnen. Deze bruikbare versie van mijn biografie wekte de interesse van instituties die mij graag als bewijs van hun geslaagde diversiteitsbeleid wilden presenteren. Aanvankelijk dacht ik dat hun belangstelling voortkwam uit waardering voor mijn kwaliteiten en prestaties. Later begreep ik dat zij mij vooral een rol in hun eigen verhaal hadden toebedacht.

Zij mogen zichtbaar zijn, maar moeten vooral hun plaats kennen. Tegenspraak geldt al snel als ondankbaarheid

Zolang mijn verhaal hun narratief bevestigde, paste ik in hun vitrine. Maar toen ik mij uitsprak tegen het dragen van religieuze uitingen bij de politie of kritiek uitte op de politieke islam die ook in Europa onze vrije samenlevingen bedreigt, was ik niet meer de aardige vluchteling, maar de getraumatiseerde Iraanse dissident die het zorgvuldig opgebouwde beeld van inclusiviteit verstoorde.

Later herkende ik dat patroon in mijn gesprekken met mensen die vanwege hun afkomst of achtergrond als uithangbord werden gebruikt. Diversiteitsbeleid dat op uiterlijk vertoon is gericht, zoekt bevestiging in herkenbare boegbeelden. De migrant moet de geslaagde integratie belichamen, de eerste zwarte hoogleraar de toegankelijkheid van de universiteit, en de vrouw met een hoofddoek mag hoog op de kieslijst staan. Zij mogen zichtbaar zijn, maar moeten vooral hun plaats kennen. Tegenspraak geldt al snel als ondankbaarheid.

Misschien verklaart dat waarom ik de laatste jaren steeds argwanender ben gaan kijken naar diversiteitsquota. Een quotum kan zeker een bestuur of faculteit dwingen buiten hun eigen bubbels te zoeken. Maar het gewenste beeld kan zwaarder gaan wegen dan de vraag of iemand daadwerkelijk geschikt is voor de positie en dan de procedures om dat vast te stellen. Of dat mechanisme ook bij de benoeming van Arday een rol speelde, staat nog niet vast. Wie weet vormt zijn aanstelling een uitzondering op het hardnekkige patroon dat ik hierboven beschreef. Laten we het hopen.

Op een van de briefjes bij het hek stond: „I am sorry this system failed you.” De universiteit had van Jason Arday een symbool gemaakt. In een van zijn aforismen schreef Schopenhauer: ”Wat je naar buiten wint, verlies je van binnen”.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.
Meer informatie

Kies NRC als voorkeursbron

Melding voorkeursbron sluiten

Geef cadeau

Deel

Mail de redactie