De eerste hoofdstukken van Genesis hadden altijd al de belangstelling van Van den Heuvel (41). Dit vanwege het „controversiële karakter” ervan. „Als er ergens een plek is waar de gangbare interpretatie van de wetenschap en de Bijbelse teksten met elkaar botsen, dan is het wel hier.”

Van den Heuvel richtte zich tijdens zijn promotieonderzoek vooral op de vloedverhalen uit het Midden-Oosten en de Grieks-Romeinse wereld. Daarnaast plaatst hij vloedverhalen op zijn website Flood stories. „Het zijn er al meer dan 1500.”

Begin september vloog de Brabantse onderwijzer Nederlands vanuit New York, waar hij nu woont, naar de Evangelische Theologische Faculteit Leuven om zijn proefschrift te verdedigen. Daarin vergelijkt hij de Bijbelse zondvloedgeschiedenis met andere vloedverhalen uit de oudheid.

Wat dacht u te gaan ontdekken voordat u met uw onderzoek begon?

Van den Heuvel: „Aan het begin wilde ik alle vloedverhalen met elkaar vergelijken. Ik hoopte in de verhalen bepaalde patronen tegen te komen, zodat ik de vloedverhalen uit bepaalde regio’s aan elkaar zou kunnen verbinden. Vervolgens had ik al die regionale clusters van vloedverhalen willen samenbrengen tot een overkoepelende groep. Ook wilde ik iets zinnigs kunnen zeggen over de plek van het Bijbelse zondvloedverhaal binnen die groepen en over de conclusies die we daaraan kunnen verbinden.”

En, is dat gelukt?

„Nee. Alle vloedverhalen met elkaar vergelijken bleek onbegonnen werk. Ik moest me beperken tot drie clusters verhalen, die ik met elkaar heb vergeleken. Wel zijn er bepaalde aanknopingspunten die Genesis in een nieuw daglicht zetten.”

Welke?

„Mozes benadrukt dingen die in andere vloedverhalen niet terugkomen. Bijvoorbeeld het verbond. Aan het begin van het Bijbelse zondvloedverhaal wordt Gods verbond met Noach kort benoemd en aan het eind nader uitgewerkt. In de verhalen uit het oude Midden-Oosten en de Grieks-Romeinse wereld lees je in het geheel niet dat God een verbond sluit met de mens. Wel hebben die verhalen en het Bijbelse zondvloedverhaal vergelijkbare elementen. Denk aan het offer na de vloed en goden die het offer aangenaam vinden ruiken.

„Ik ben een vrij simpel mens en heb een kinderlijk geloof. Dat is een gave, want ik weet dat anderen wel te kampen hebben met veel twijfel.” beeld Bram van den Heuvel

Hieruit kunnen we afleiden dat Mozes bepaalde zaken niet blind heeft overgenomen uit de Mesopotamische verhalen van de Babyloniërs, maar bewust eigen keuzes in de beschrijving van de zondvloedgeschiedenis maakte. Dat zegt iets over hoe belangrijk het punt is dat hij maakte, onder de inspiratie van de Heilige Geest.”

Wat is het huidige standpunt over het Bijbelse zondvloedverhaal in de academische wereld?

„Het wordt door de gangbare wetenschap door vrijwel niemand serieus genomen als een historisch feit, vermoed ik. Behalve dan door mensen met bijvoorbeeld een christelijke of Joodse achtergrond. De enige optie die veel wetenschappers willen overwegen, is dat er wellicht ooit een lokale vloed in Mesopotamië heeft plaatsgevonden. Daarna zou de schrijver van de Bijbelse zondvloedgeschiedenis het verhaal van de Babyloniërs hebben overgenomen.”

„Je zou net zo goed kunnen beweren dat Mozes het oorspronkelijke verhaal weergaf”

Dr. Bram van den Heuvel, promoveerde op zondvloedverhalen

Hebben ze een punt?

„Je kunt niet hard maken dat Mozes het zondvloedverhaal níét heeft overgenomen. Dat komt omdat je slechts kunt werken met enkele oude teksten die je met elkaar vergelijkt, wat zo’n theorie vrij kaal maakt.

Anderzijds kunnen de academici dus ook niet bewijzen dat Mozes het verhaal heeft overgenomen. Je kunt hooguit de gegevens op een bepaalde manier inkleuren. Zo van: ik zie bepaalde overeenkomsten tussen de oude vloedteksten, dus zal Mozes het zondvloedverhaal wel hebben overgenomen van de Babyloniërs en het hebben aangepast.

Je zou kunnen kijken naar de functie van gedeelten uit de vloedverhalen bij verschillende volken. Zoals het fragment uit Genesis 8, over de raaf en de duif. Genesis volgt de biologische logica: de raaf is een sterke vogel en wordt gevolgd door een fragielere duif, een vogel die de weg terug naar huis zoekt. Noach wilde blijkbaar iets van deze vogels leren. De Mesopotamische vloedverhalen lijken meer te maken te hebben met allerlei tekens die uit de sterrenbeelden afgeleid konden worden. Deze verhalen zijn verweven met de religie en bijgelovigheid van de Mesopotamiërs.

Je zou dus net zo goed kunnen beweren dat Mozes het oorspronkelijke verhaal weergaf en dat de Mesopotamiërs het oorspronkelijke zondvloedverhaal hebben vertroebeld en aangepast aan hun eigen cultuur en offercultus. Dit lijkt ook meer verklaringskracht te hebben dan de huidige opvatting dat Mozes alles heeft overgenomen en aangepast.”

Brengt zo’n overweldigende meerderheid aan mensen die Genesis als de zoveelste mythe afdoen u niet aan het twijfelen?

„Tijdens mijn studie theologie aan de Universiteit Utrecht zijn er weleens momenten van twijfel geweest. Anderzijds ben ik niet het soort mens dat lang blijft twijfelen.”

„Ik ben een simpel mens en heb een kinderlijk geloof”

Dr. Bram van den Heuvel, promoveerde op zondvloedverhalen

Hoezo niet? Dat lijkt vrij intimiderend.

„Ik ben een vrij simpel mens en heb een kinderlijk geloof. Dat is een gave, want ik weet dat anderen wel te kampen hebben met veel twijfel. Daarbij merk ik dat er voor sommige stellige uitspraken in de academische wereld mijns inziens niet veel grond is. Zoals de opvatting dat Genesis is samengesteld door verschillende auteurs, de zogenaamde vierbronnenhypothese.

In enkele recente studies zie je ook wel wat meer terughoudendheid tegenover deze hypothese. Niet dat wetenschappers nu opeens openstaan voor de stelling dat Mozes het boek geschreven heeft. Het is meer in de zin van: „Echt zeker weten we het niet, maar vanwege het gebrek aan een alternatief lijkt de vierbronnenhypothese nog steeds de beste optie.”

Ik las eens een boek van iemand die beweerde dat het héle Oude Testament in de Griekse tijd is geschreven, slechts een paar eeuwen voor Christus’ geboorte. Dit soort ongefundeerde stelligheid kom je in de academische wereld zo af en toe tegen. Dit wijst erop dat er technisch gezien zelfs voor zo’n extreme theorie ruimte is, wat er ook nog eens op wijst dat we eigenlijk maar weinig weten.”

U bent overtuigd christen. Wordt uw proefschrift daarom al op voorhand met scepsis behandeld?

„Nee, want ik heb tijdens mijn promotieonderzoek alleen maar gekeken naar het zondvloedverhaal als verhaal en probeerde met zo min mogelijk aannames te werken. Bijvoorbeeld dat de zondvloed echt gebeurd is.”

Stel dat apologeten bewijzen uit uw proefschrift willen halen om te bewijzen dat de Bijbelse zondvloed waargebeurd is, wat zouden ze dan gebruiken, vermoedt u?

„De argumenten dat Genesis niet slaafs de Mesopotamische vloedverhalen volgt. Ook ging ik in mijn studie enigszins mee met het idee dat de Grieken en Romeinen elementen van de Mesopotamische verhalen hebben overgenomen. In de Grieks-Romeinse verhalen staan echter ook elementen die wel met de Bijbel overeenkomen, maar niet met de Mesopotamische verhalen. Dat versterkt het vermoeden dat de Babyloniërs, Grieken en Romeinen hun verhalen baseerden op een oudere bron.”

„Span wetenschappelijke argumenten niet te snel voor je karretje”

Dr. Bram van den Heuvel, promoveerde op zondvloedverhalen

Waar moeten apologeten op letten als ze de Bijbel willen bewijzen?

„Dat je niet te snel je conclusies trekt en wetenschappelijke argumenten voor je karretje spant. Vaak zie je het argument langskomen dat de kubusvormige ark van het Gilgamesjepos, een Mesopotamische zondvloedmythe, lang niet zo zeewaardig is als de ark van Noach. Daar kun je echter niet meteen uit afleiden dat de Bijbel het oorspronkelijke verhaal is en dat het Gilgamesjepos van de Bijbel is afgeleid.

Apologetiek is niet alleen het ‘bewijzen’ dat het christendom waar is. Het is ook een ‘kunst’ om je visie op de goede manier over te brengen op je publiek. Een bepaalde vorm van bescheidenheid wordt gewaardeerd. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat je niet alle antwoorden hebt, maar dat er aanwijzingen zijn die erop zouden kunnen wijzen dat de Bijbelse zondvloed heeft plaatsgevonden. We weten zo veel niet over de zondvloed. Het is een onderwerp dat nog veel onderzoek nodig heeft.

Mensen die tegen een wetenschappelijke consensus strijden, moeten die consensus ook begrijpen. Daarnaast moeten ze kunnen aantonen welk bewijs er ontbreekt en welk sluitend bewijs er is voor een andere theorie. Velen onderschatten hoe moeilijk en omvangrijk het is om bijvoorbeeld aan te tonen dat de aarde 6000 jaar oud is in plaats van 4,5 miljard jaar.

Het is niet zo dat je een paar bewijzen voor en tegen deze opvatting van een oude aarde moet uitzoeken, om daarna je conclusies te trekken. Er zijn namelijk tientallen onafhankelijke aanwijzingen, waaruit men concludeert dat de aarde miljarden jaren oud is. Die zou je dus allemaal tegelijk moeten ontkrachten.”

Wat deed het zondvloedonderzoek met uzelf?

„Mijn geloof in de Bijbelse zondvloed is zeker niet minder geworden. Misschien wel een heel klein beetje vermeerderd. Ik neem mijn standpunt nu beter geïnformeerd in.”

Het was voor u niet te doen om de vloedverhalen van verre gebieden als Azië te onderzoeken. Als u een verhaal zou mogen onderzoeken, welk zou dat dan zijn?

„Het verhaal ”Manu en de vis” uit India, omdat hierin enkele overeenkomsten lijken te zijn met de vloedverhalen uit Mesopotamië. Én omdat er veel versies van bestaan waar al heel wat over is geschreven door zowel westerse als Indische geleerden.”

Hoe bepaal je of bepaalde herkenbare elementen van de vloedverhalen uit andere continenten in het verleden niet zijn overgenomen van christelijke zendelingen?

„Daar is geen uitgebreide werkwijze voor. Als een vloedverhaal mogelijk beïnvloed is, zou ik kijken naar de geschiedenis van de bevolking bij wie het verhaal vandaan komt: wat weten we over hen? Zijn ze in aanraking gekomen met zendelingen? Zo ja, uit welk land kwamen deze zendelingen en wat was hun kerkelijke denominatie?

Vervolgens zouden we moeten kijken naar sporen van missionaire activiteiten in de cultuur en of er andere Bijbelse elementen overgeleverd zijn, zoals van de kruisiging en de Exodus. Daarna kunnen we een voorzichtige conclusie trekken over de vraag of de vloedverhalen wel of niet zijn beïnvloed door het Bijbelverhaal.”

Uw promotoren waren prof. dr. Mart-Jan Paul en prof. dr. Koert van Bekkum, die een verschillende visie hebben op Schriftuitleg. Waarom deze keuze?

„Dr. Mart-Jan Paul ken ik, omdat ik meewerkte aan de Studiebijbel. Hij werd mijn eerste promotor. Toen ik tijdens mijn onderzoek besloot om het aantal te onderzoeken vloedverhalen drastisch te beperken, zocht ik iemand die goed thuis is in het Oude Testament en Mesopotamië, en zo is Koert mijn tweede promotor geworden. Hij was wel wat kritisch en zei: „Je beweert hier en daar iets, maar je moet ook aantonen dat het waar is.” Of hij mijn proefschrift overtuigend vond? Nou, hij vond in ieder geval dat ik mijn hypothese goed verdedigde.”