•  

Vandaag

  •  

leestijd 2 minuten

  •  

841 keer bekeken

  •  

bewaren

dieperinkANP-301991253

Mies Bouwman bekende ooit twee konijnen thuis te houden die ze Bram en Freek noemde en een hamster Paul, vernoemd naar die andere cabaret-grootheid. Presentator Henny Huisman noemde het huisvarken Freek (“vanwege die kleine oogjes”) en ik ken mensen die hun rode katers vernoemden naar André (-van Duin) en zijn toenmalige vriend Henk.

Sinds de briljante tweespraak van Gerard Cox en Frans Halsema (Tros telefoonspelletje) heetten alle cavia’s in ons huishouden Jaapje, Joopje en Joepje. Tsja… Hoeveel huisdieren zouden dit onverdiende lot lijdzaam hebben ondergaan? Ik neem aan de helft van de dieren van cavialiefhebbend Nederland van voor 1980.

Typisch menselijke humor, vermenselijking van dieren of menselijke verdierlijking, hoe dan ook, géén creativiteit waar AI mee op de proppen zou komen. Zeg ChatGpt, suggereer jij eens een naam voor mijn huisdier met vrolijk intellectualistische inslag, tongue-in-cheek en liefst herkenbaar voor grote kring? Kansloze excercitie dus.

Wat dat betreft is de recente ‘noodkreet’ van Jacques Klöters aangaande zijn vak (schrijver, neerlandicus, zanger, kleinkunstenaar, biograaf etc.) enigszins overtrokken. En natuurlijk is het dat, gegeven de ironische lading van het stuk, de oud-DonQuishocker eigen. Klöters: “Mijn deskundigheid is niet meer in trek. Mijn ondeskundigheid wel”.

‘Diversionist’ was ooit zijn repliek op de vraag wat hij onder zijn ‘vak’ verstond. Een briljant amalgaam-begrip dat ik mij bij gelegenheden waar men verveeld, plichtmatig informeert naar mijn professie, sindsdien ook graag aanmeet. Ik kan namelijk een beetje tekenen, een beetje schrijven, een beetje koken en een beetje verkopen en probeer van die talenten te leven. Dat lukt binnen de ene discipline misschien beter dan binnen die andere, maar een mens roeit met de creatieve riemen die hij heeft.

Daarom durf ik een parallel te trekken met oud-cabaretueel en taalvirtuoos Klöters. Hij pleit als enig alibi voor zijn superioriteit bóven (of náást) AI voor een zekere ‘superdeskundigheid’, een kundigheid waar allerlei vormen van AI nog helemaal niet aan kunnen tippen.

Het unieke, associatieve denkvermogen van een creatief brein waarvan ik met zekerheid (een zekerheid aangaande ‘de kunsten’ die nu wordt bevraagd) durf te zeggen dat geen enkel artificieel systeem ooit in de buurt zal komen, ís dat al. Superuniek.              

Klöters noemt die noodzaak omdat zelfs schrijvers op den duur niet meer nodig zullen zijn. Men voert AI simpelweg met een vraag waarna een tekst wordt uitgespuwd die aan die vraag voldoet. Dat zal tot op zekere hoogte inderdaad geen probleem zijn, getuige de nu al verbluffende en vooral schrijnende voorbeelden van AI/ChatGpt-misbruik binnen het onderwijs.

Aan de hand van meerdere praktijkvoorbeelden in het ironisch-gelaagde artikel laat Klöters gelukkig zien dat AI, voor wat betreft menselijk/associatief-talent, nog een lange, vrijwel onbegaanbare weg heeft te gaan.

Schrijvers-onder-elkaar-grapje:
Hee, ik zag je laatst nog!
O, sorry, heb je niet gezien. Waar was dat dan?
In de ramsj!

Benieuwd wanneer AI de eerste moppen gaat tappen… Don’t worry Jacques.