
Bekijk artikel in krant
Eduardo Mendoza: Geen nieuws van Gurb. (Sin noticias de Gurb) Vert. Annet van der Heijden. Weerwoord, 179 blz. €21,99
De rare fratsen van een kapitein
Hoe ziet een buitenaards wezen onze wereld? In Geen nieuws van Gurb, van de Spaanse auteur Eduardo Mendoza, is de kapitein van een ruimteschip op zoek naar zijn beste vriend Gurb die ergens over de aarde zwerft. In zijn logboek noteert de kapitein wat hij meemaakt tijdens zijn zoektocht door Barcelona, wat leidt tot soms hilarische observaties, vooral als hij de menselijke soort duidt. „Menselijke wezens zijn er in allerlei maten. De allerkleinsten zijn zo petieterig dat ze makkelijk vertrapt kunnen worden als de langere mensen ze niet in een wagentje zouden meevoeren. De allergrootsten zijn zelden langer dan 200 cm. Wat ook verbazingwekkend is, is dat ze bij het liggen precies even lang blijven.”
Naast al deze observaties doet de kapitein ook zijn best om te integreren; dat doet hij door zichzelf te ‘materialiseren’ in de gedaante van een dier of menselijk wezen. Zo is hij de ene keer een fuut, dan weer president Eisenhower of stierenvechter Paquirrín. Dat zo’n lichaam flink wennen is, blijkt wel als hij bij het oversteken geregeld wordt onthoofd – achtereenvolgens door bus 17, een Opel Corsa, een bestelbus en een taxi.
Sin noticias de Gurb, in 1990 als roman gepubliceerd en nu in het Nederlands vertaald, verscheen oorspronkelijk in delen in de Spaanse krant El País. Aanvankelijk weigerde Mendoza voor een krant te schrijven – hij haat deadlines – maar de toenmalige hoofdredacteur Xavier Vidal-Folch wist hem toch over te halen. Gelukkig maar, want vanwege de lichte toon is de roman inmiddels in vele talen verschenen en staat het bij tal van scholen in Spanje op de leeslijst.
En ook al blijft Gurb spoorloos, je kunt niet anders dan lachen om de rare fratsen die de kapitein uithaalt en het eens zijn met zijn observaties over klassenverschillen of milieuvervuiling. Wel verandert hij, naarmate zijn verblijf op aarde langer duurt, in een nogal stereotype figuur met een liefde voor ‘losse’ meisjes, voetbal, churros, likeurtjes en gefrituurde visjes uit Barceloneta. Maar dat beeld van zichzelf haalt hij dan weer onderuit door luidkeels Spaanse liedjes te zingen met de eigenaar van een Chinees restaurant of café-eigenares Mercedes, wanneer ze ziek is, een elektrische trein cadeau te geven. Daarmee is deze roman, zoals Mendoza zelf opmerkt in zijn voorwoord, inderdaad een boek dat lezers „verlichting brengt in verdrietige tijden”.
Rosan Hollak
Aan een wilde meid heb je wat

Bekijk artikel in krant
Božena Němcová: Wilde Bára. (Divá Bára) Vert. Kees Mercks. Pegasus, 72 blz. €15,-
De Tsjechische literatuur blinkt uit door een unieke combinatie van humor en melancholie. Die eigenschappen herken je ook in de onlangs vertaalde novelle Wilde Bára van Božena Němcová (1820-1862), de belangrijkste Tsjechische vrouwelijke auteur van de negentiende eeuw. Het is het verhaal van het boerenmeisje Bára, de dochter van dorpsherder Jakub en zijn vrouw Barbora. Die laatste overleed een paar jaar na de bevalling aan ‘twijfels’ over de herkomst van haar dochtertje. Heeft zij Bára dan niet zelf gebaard? Natuurlijk, maar we zijn op het Tsjechische platteland en daar geloofden ze in de negentiende eeuw in heksen en spoken. Toen Bára nog kraamzorg kreeg en de kraamvrouw even niet in de buurt was, is Barbora flauwgevallen. Ze werd gevonden door de dorpstantes en de vroedvrouw, die meteen riepen dat de middagheks langs was geweest om een wild kind op de plek van Bára te leggen. Daarop trokken ze Bára uit haar wieg om haar aan een nauwlettend fysiek onderzoek te onderwerpen. Ja, het kind had enorme ogen, een groot hoofd, korte beentjes en ga zo maar door. Kortom, ze moest wel een wild kind zijn.
Jakub trekt zich er niets van aan. Hij neemt Bára mee op zijn herderstochten, laat haar op de koeien zitten en stuurt haar in de winters naar school. Zo groeit Bára op tot een grote, sterke meid, die in het dorp gepest wordt met haar ‘koeienogen’, maar die alle jongens omver gooit als het op vechten aankomt. Gelukkig heeft ze twee trouwe vrienden: de verlegen Josífek, de zoon van de koster, en Elska, het nichtje van de pastoor. Met hen trekt ze vrijwel dagelijks op en natuurlijk is de Josífek verliefd op haar.
Het drama in de novelle begint als Elska op haar achttiende naar Praag verhuist om bij een tante te gaan wonen en goede manieren te leren. Ze wordt er verliefd op een knappe dokter. Maar haar oom, de pastoor, heeft een andere bruidegom voor haar in petto: een rijke, aartslelijke en saaie rentmeester. Bára, het wilde meisje, verzint nu een list om haar vriendin te helpen en doolt vermomd als spook door het bos om de rentmeester wijs te maken dat hij maar beter weg kan blijven. Die scène is zo geestig geschreven dat je dit boek alleen al om die reden als een medicijn tegen een sombere bui leest. Maar voordat je tot dat besef bent gekomen, moet je eerst nog meemaken dat Bára door de pastoor gestraft wordt voor haar handelen. Ook haar vader moet boeten en wordt door de dorpelingen niet meer als herder gevraagd. Maar uiteindelijk is Němcová genadig voor al haar personages. Als ze de draaglijke lichtheid van het bestaan voor je heeft onthuld, ben je dan ook extra blij dat dit opwekkende, literaire kleinood eindelijk door Kees Mercks is vertaald.
Michel Krielaars
De oervader van de muzak
De première verliep niet gladjes. Op 8 maart 1920 klonk in Parijs tijdens de pauze van een toneelstuk voor het eerst de Musique d’ameublement van Erik Satie; speciaal gecomponeerde achtergrondmuziek, die nadrukkelijk niét was bedoeld om aandachtig naar te luisteren. Dat concept was zo nieuw dat het publiek er geen raad mee wist. Pauzegesprekken staakten, groepjes mensen schaarden zich aandachtig rond musici. De componist liep rond en riep het publiek driftig toe: „In godsnaam blijf praten! Loop rond! Niet luisteren!” Tevergeefs.
Satie geldt sindsdien soms als oervader van ‘muzak’, maar zijn ‘gemeubileerde muziek’ is slechts een van de vele ideeën die veel invloed hadden op musici die na hem kwamen. Satie geldt ook als een oervader van minimal music en van de experimenten van John Cage. Het herdenkingsjaar dat nu bijna is afgelopen – Satie stierf honderd jaar geleden in 1925 – verliep nogal geruisloos, maar dat komt wellicht doordat zijn invloed toch al zo alom aanwezig is. De 84-jarige Bob Dylan betrad in ieder geval bij zijn huidige tournee het podium op klanken van Satie; misschien een verhuld eerbetoon.

Bekijk artikel in krant
Ian Penman: Erik Satie. Three Piece Suite. Fitzcarraldo Editions, 213 blz. €17,30
Het Satie-jaar heeft wel een onderhoudend, associatief, soms vederlicht boek opgeleverd: Erik Satie. Three Piece Suite van de Britse muziekcriticus Ian Penman. Penman laat zijn gedachten rond Satie schijnbaar ongeordend stromen in drie delen: een min of meer conventioneel biografisch hoofdstuk; een Satie-alfabet een dagboek. Zijn aanpak levert geregeld prachtige flitsen van inzicht op, maar leidt even vaak ook tot weinig of niets.
Zo erg is dat niet. Satie’s enorme invloed als inspiratiebron is misschien ook niet alleen een compliment. Dat zoveel componisten ideeën van hem hebben opgepakt komt mede doordat die ideeën soms maar half zijn uitwerkt, of alleen zijn aangeduid. Er zat vaak méér in al die de vondsten, grappen en suggesties van Satie. Was zijn muziek al helemaal voltooid en volmaakt geweest, zou Satie’s invloed niet zo groot zijn geweest. Dat het nutteloze, overbodige en briljante zich bij Penman naadloos afwisselen, past eigenlijk best goed.
Satie’s muziek mocht vooral niet groots en zwaar zijn, niet bombastisch en zeker niet overweldigend. Satie liet zich inspireren door het rumoer van de stad, het nachtleven in cabarets, populaire chansons en het circus. Penman kent de avantgarde van de eerste decennia van de vorige eeuw op zijn duimpje. Maar minstens zo belangrijk zijn voor Penman zijn dagdromen over Satie, het dagelijkse borreluur dat hij gebruikt om met een glas in de hand te mijmeren over Satie. Penman nam ook een lijstje op met titels van zijn improvisaties achter de piano, geïnspireerd op episodes uit Satie’s leven.
Voor Penman gaat de muziek van Satie over „het aanvaarden van het voorbijgaan van de tijd.” Hij omschrijft hem als de componist die „onze aandacht richt op het domein van stille momenten.” Momenten van balorigheid en inspiratie, verveling en vervulling, liggen daarbij helemaal niet zo ver uit elkaar – in ieder geval niet voor Penman en voor Satie nog minder.
Peter de Bruijn
Een klein veelzeggend verhaal
Hoe kun je zo’n groot verhaal vertellen met zo weinig woorden? Dat is wat ik dacht toen ik De redding van Judith Koelemeijer, dat begin dit jaar verscheen, onlangs voor de tweede keer las.

Bekijk artikel in krant
Judith Koelemeijer: De redding. Atlas Contact, 130 blz. €18,99
Het afgelopen jaar las ik prachtige boeken. Maar de hoofdpersonen waren, hoewel ze in de geschiedenis een rol van betekenis speelden, in hun privéleven vaak klootzakken. Denk aan Harry Hopkins, de rechterhand van president Roosevelt, in Wisselwachter van Geert Mak. Of Japankenner Franz von Siebold in Zwevende wereld van Annejet van der Zijl. Door hun ambities vergaten ze onder meer hun kinderen.
De redding is op het oog een klein, waargebeurd verhaal, over twee vrouwen. De ene, Leah, glijdt op een avond met haar auto de Leidsevaart in Haarlem in. Een menigte kijkt toe. „Iedereen stond daar, geschokt en ach en wee zeggend. Maar niemand deed iets – ook zij niet.” Zij is Miriam, de ander vrouw, die na enige aarzeling toch het water in springt en Leah op het nippertje redt van de verdrinkingsdood.
Kundig voegt Koelemeijer in een bestek van minder dan honderddertig bladzijden het ene na het andere laagje toe aan dit verhaal. Beide vrouwen, de een jong en de ander oud, waren op weg naar een lezing van filosoof Paul van Tongeren. Eerst leren we Leah kennen, een Vlaamse, die al drie keer eerder bijna blijkt te zijn verdronken én als kind een ander kind uit een beek heeft getrokken. Als volwassene deed ze een vergeefse poging haar zwemdiploma te halen.
Daarna volgt het levensverhaal van Miriam, die via een examenbundel die Paul van Tongeren samenstelde, in aanraking kwam met Aristoteles. „De deugdenleer van Aristoteles had geraakt aan essentiële levensvragen waar ze ook zelf mee worstelde.” Wat doet er echt toe in het leven? Leah en Miriam, de één streng katholiek opgevoed, de ander het kind van een Joodse moeder en een Turkse moslim, worstelen na de ingrijpende gebeurtenis met schuldgevoelens. Leah omdat ze het leven van Miriam in gevaar heeft gebracht. Miriam omdat ze zich afvraagt: had ik eerder moeten springen? Bovendien, „was ze ook niet voor zichzelf in het water gesprongen, om in elk geval haar eigen geweten te redden?”
Het staat er nergens met zoveel woorden, maar als lezer denk je: deze twee vrouwen hebben heel goed begrepen wat de kern is van die godsdiensten.
Koelemeijer deed bijna vijftien jaar over dit kleine grote verhaal: ook dat voegt een extra laagje toe, we volgen haar hoofdpersonen over een lange periode. Een terugkerend thema in haar werk is de vraag hoe een persoon verandert na een ingrijpende gebeurtenis. Na de ‘tewaterlating’, zoals ze het zelf noemt, krijgt Leah haar ‘oude en nieuwe zelf niet bij elkaar’.
Waarom is De redding dan toch zo’n troostrijk verhaal, vroeg ik me af toen ik het opnieuw las. Ik denk omdat het gaat over echte mensen, met echte vragen, die uiteindelijk rust lijken te vinden. En omdat het een mooi verhaal is. Mooie verhalen bieden altijd troost.
Jeroen van der Kris
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
NIEUW: Geef dit artikel cadeau
Als NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
De journalistieke principes van NRC