Rond 1890 schreef de bejaarde Jacob Burckhardt, die met zijn studie Die Kultur der Renaissance in Italien uit 1860 het Renaissance-individualisme als pijler van de moderniteit voor het eerst op de kaart had gezet, aan een vriend: „In dat Renaissance-individualisme geloof ik eigenlijk niet meer; maar ik zeg het niet hardop, want de mensen hebben het zo graag.” De meester wist zelf wel dat de periode die hij in zijn studie zo’n beetje had uitgevonden zich niet voor één gat liet vangen. Maar leg dat het grote publiek maar eens uit.


Bekijk artikel in krant

Ada Palmer, Inventing the Renaissance. Myths of a Golden Age. Bloomsbury, 745 blz. €25,99

Na Burckhardt zijn er door historici steeds weer nieuwe aspecten als hét geheim van de Renaissance aangewezen. De X-Factor noemt Ada Palmer zulke invalshoeken in haar soms wel erg originele, maar goed geïnformeerde exploratie van het Renaissance-thema. Zoals daar zijn: oudheidliefde, schoonheidscultus, humanisme, atheïsme, Realpolitik – en meer. Met bewonderenswaardig brede oriëntatie bespreekt ze die verschillende prisma’s, plaatst ze in hun tijd en laat zien dat ze nooit de hele en soms maar heel weinig van de waarheid vertellen. Alleen al om dat overzicht is haar boek de moeite waard.

Onze fascinatie voor de periode blijkt vandaag het duidelijkst uit het massatoerisme en de populariteit van blockbuster-tentoonstellingen van oude meesters. Maar in kunst met een grote K is Palmer niet primair geïnteresseerd. Ze wil vooral zoeken naar wat zich achter de schone schijn bevindt. Dat is tot op zekere hoogte al een politieke keuze: menigeen houdt zich nog altijd krampachtig aan het Renaissancebegrip vast juist omdát het gezien wordt als identiteitsbepalend voor onze westerse moderniteit: het startschot voor de secularisatie, voor de exacte revolutie, voor de individuele waardigheid, de democratie, de literatuur, de beeldende kunst en architectuur, de urbanisatie, kortom onze cultuur. Kom daaraan, en je wordt al gauw van nestbevuiling beschuldigd.

Bovendien is ook Palmer zelf gefascineerd door de Renaissance. Ze wil daarom nuanceren tussen het zwart van debunking of het verguldsel van dweperij. Het gevolg is dat haar boek ook ‘Ja en nee’ had kunnen heten – naar het hoofdwerk Sic et non van één van haar bewonderde middeleeuwse wegbereiders, Abelard – ze munt zelfs het neologisme to abelard in de betekenis van „in overeenstemming brengen”. Inderdaad was harmonisatie tussen in hun ogen schijnbare tegenstellingen, zoals die tussen Plato en Aristoteles, tussen klassieke oudheid en Christendom of tussen filosofie en retorica, vaak het doel van theoretici uit de Renaissance. Maar even goed gold dat, getuige Abelard, ook al voor de Middeleeuwen. Renaissance-karakteristiek? Ja en nee dus.

Goudentijdsvirus

Palmer neemt eerst de ‘eeuwige schoonheid’ waarom de periode bekend staat op de korrel: haar boek opent met een citaat uit een brief aan Machiavelli, waarin deze wordt aangespoord om de geschiedenis te boekstaven opdat latere lezers zullen begrijpen in wat voor verschrikkelijke tijd ze hebben geleefd: inventing the Renaissance dus niet alleen als een correctief op de vertekening van latere bewonderaars als Burckhardt, maar ook als vaccin tegen het ‘goudentijdsvirus’ dat in de periode zelf door diverse machthebbers werd verspreid, en dat latere generaties voor zoete koek hebben aangenomen. Daarom schetst ze na de identificatie van wat men later in de Renaissance bewonderde, vervolgens de naakte waarheid van chaos, crisis en moordzucht in de tijd zelf. De grootste gouden-tijd-belover van allen, paus Julius II, opdrachtgever van de goddelijke Michelangelo en Raphael, was ook de grootste schurk – Palmers koosnaam voor Julius is Warrior-Pope-II (na zijn oom en voorganger onder de tiara, Sixtus IV, als nummer I).

Een van de sterke kanten van dit boek is het inzicht dat het biedt in de ongehoorde complexiteit van de internationale politiek tussen de lappendeken van Italiaanse stadstaten (inclusief die van de paus). Palmer kent de verschillende clans op haar duimpje, hun dynastieke en lokale tradities en belangen, en de effecten van de subtiele verschillen in sociale status en politiek gewicht van gradaties van wettigheid (wettig, bastaard of ‘natuurlijk’ kind). Zo wordt de conclusie dat de Renaissance inderdaad vooral een periode van chaos en (autoriteits)crisis was onvermijdelijk. In het middendeel van het boek bespreekt ze aan de hand van minibiografieën van bekendere en minder bekende protagonisten hoe de chaos in de praktijk op diverse levens inwerkte: we maken nader kennis niet alleen met een Michelangelo, Machiavelli en Savonarola, maar ook met Ippolita Sforza, Alessandra Scala en vooral, in een lange sectie in briefvorm aan haar gericht, met de enigmatische en betoverende Lucrezia Borgia.

Om die schijn van goud te midden van alle chaos en ellende te verklaren, komt Palmer uit bij wat we sinds de negentiende eeuw humanisme noemen. Die term is verraderlijk: humanisten in de Renaissance waren allerminst humanistisch in de moderne zin: in beleefde omgangsvormen ontstegen ze zelden het niveau van prooidieren of aaseters. Ook inhoudelijk was het niet altijd even vriendelijk: Palmer rekent bijvoorbeeld een Machiavelli, vader van de anti-humanistische Realpolitik, onder hun gelederen. Renaissance-humanisten waren geleerden, lazen, schreven (Machiavelli was hier een uitzondering) in het Latijn, beheersten in toenemende mate Grieks, waren gespecialiseerd en geïnteresseerd in de klassieke oudheid, werkten in dienst van hoogwaardigheidsbekleders in kerk en staat, en bemoeiden zich met van alles en nog wat. Maar een categorie apart, met een eigen ideologie?

En nu juist zo’n veronderstelde ‘humanistische’ ideologie heeft volgens velen tot de ‘beschaving’ bijgedragen. In de kringen van het moderne humanistisch verbond bijvoorbeeld, die zich als moderne seculiere religie vrijwel geheel heeft losgezongen van haar historische oorsprong. Anderzijds zijn er ook die juist bij de humanisten van de Renaissance zelf een ideologische kern zoeken. Eén van hen is Palmers leermeester James Hankins die in Virtue Politics uit 2019 op grond van de politieke en educatieve traktaten aan de humanisten van de vroege Renaissance een ideaal van ‘deugd-politiek’ toeschreef. In plaats van blauw bloed of christelijke moraal, aldus Hankins, zouden humanisten hebben gepleit voor een ethica gebaseerd op burgerdeugden, beleden in open debat en kapitalistische competitie, en gedestilleerd uit antieke teksten. In het bijzonder de filosofische en retorische traktaten van Cicero, de lectuur die deze deugden zou bijbrengen. Een educatief programma kortom met als kern het Latijn dat het unique selling point van de humanisten was-en dat Hankins ook vandaag nog actueel vindt.

Ruzies

Ja en nee, denkt Ada Palmer dan. Want enerzijds is ze te genuanceerd om het zootje ongeregeld dat men later ‘humanisten’ ging noemen over een kam te scheren, laat staan ze een anachronistische ideologie toe te dichten. Anderzijds voelt ze zich ook zelf verwant met humanisten: ze bewondert hun Latijn, hun schoolmeesterschap, hun intelligentie, hun eruditie, hun overtuigingskracht. Die terechte bewondering beneemt haar alleen wel het zicht op de kern van het humanistische probleem: de oudste ruzie uit onze intellectuele geschiedenis, te weten die tussen filosofie en retorica, ofwel tussen gelijk-hebben en gelijk-krijgen. Die ‘ruzie’ was de motor achter het werk van Plato, die de retorica afkeurde (maar tot in de puntjes beheerste); maar ook van Cicero, die hem welsprekendheid en filosofische diepgang toedichtte (die hij zelf niet had).

Ook de humanisten zaten met deze ruzie in hun maag: enerzijds rijmde het filosofisch-contemplatieve ideaal met de onwereldse aspecten van het christendom, waar zij vrijwel zonder uitzondering toe behoorden. Anderzijds stonden de humanisten, als communicatiedeskundigen, spindoctors, influencers en adviseurs met beide voeten in de modder van de samenleving, en was hun voornaamste doel het gelijkkrijgen van de retorica.

Dit boek is steengoed in wat het goed doet, maar heeft ook gebreken. Palmer is niet goed in het ‘lezen’ van de beeldende kunst en wat die ons over de Renaissance kan zeggen. Ook zegt ze te vaak ‘mijn goede vriend in diens briljante boek’ in haar hoofdtekst, en vleit zich zo kwispelend in de academische mutual admiration society. Heel modieus treedt ze persoonlijk op de voorgrond: binnen een paar pagina’s weten we dat de auteur de ziekte van Crohn heeft, veel en leuke colleges geeft, close-harmony zingt, sciencefiction romans schrijft, hoe, waar en wanneer ze tentamen heeft gedaan, en wat ze doet wanneer ze in Florence aankomt. En dan is er de stijl: op het eerste gezicht zou een Ciceroniaans humanist ervan gruwen: vol uitroeptekens, KAPITALEN, korte toneelstukjes, cursieven, en straattaal. Wie daar minder van gecharmeerd is zou desondanks een vergissing maken om Ada Palmer niet au sérieux te nemen. Als communicatiedeskundige zou menig humanist het haar ook vergeven hebben, want het bereikt een jonger publiek. De inhoud is het offer waard.

Geef cadeau

Deel

Mail de redactie

De journalistieke principes van NRC