“Laat ik het zo zeggen: we waren er wel mee bezig, maar we verwachtten het niet”, vertelt hij over de gewonnen titel. “Ik was héél blij. Ik moest meteen naar beneden om het spandoek en het bord ‘lekkerste oliebol van Nederland’ te pakken. Ik wist niet waar ik het zoeken moest, ik wilde het liefst schreeuwen.” Na jarenlange toewijding aan het bakken van oliebollen voelt deze titel als een beloning voor het hele team. “We werken hier al zo lang aan, elk jaar weer. Dan is dit gewoon supermooi.” In een dorp van zesduizend inwoners leeft het succes bovendien sterk mee. “Mensen gunnen je dat. Dat maakt het extra bijzonder.”

Bekroonde oliebol

Volgens Koopmans zit het geheim van hun bekroonde oliebol vooral in eenvoud, kwaliteit en vakmanschap. “Wij gebruiken krenten, rozijnen en verse appel. Die appel komt van mijn buurman, een groenteboer hier in Tubbergen. Samen zijn we tot de juiste appel gekomen: iets zoet, mooi stevig.” De appel wordt in blokjes van vijf bij vijf millimeter gesneden, zodat hij tijdens het bakken zijn bite behoudt. “Als je een oliebol doormidden snijdt, wil je aan beide kanten vulling zien. Niet dat alles aan één kant zit. Bij ons zijn de krenten, rozijnen en appel mooi verdeeld door het deeg.”

“Wij zitten niet in Amsterdam of Utrecht. Wij zitten in Tubbergen. Doe maar normaal.”

Geen Matchabollen: ‘Doe maar normaal’ 

Wie denkt dat Bakkerij Koopmans meegaat met elke nieuwe trend, komt bedrogen uit. Matcha-oliebollen, pistachevulling of andere ‘virale’ varianten zul je hier niet vinden. Koopmans is daar heel duidelijk over. “Wij zitten niet in Amsterdam, Utrecht of Den Haag. Wij zitten in Tubbergen. Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.” Tijdens de wedstrijd werd één variant gekeurd: een oliebol gevuld met krenten, rozijnen en appel. “Dat is waar wij voor staan. Geen fratsen, gewoon een écht goede oliebol.”

Bescherming tegen boze geesten

De oorsprong van de oliebol gaat overigens al eeuwen terug. “Vroeger werd de oliebol gezien als vullend voedsel”, vertelt Koopmans. “Met goedkope grondstoffen kon je de hele winter vooruit.” In die tijd werden oliebollen rond de jaarwisseling ook uitgedeeld aan arme mensen, vaak met de wens voor gezondheid in het nieuwe jaar. 

“Men geloofde dat olie en vet bescherming boden tegen boze geesten”, legt Koopmans uit. “Het gaf kracht en energie om het nieuwe jaar goed te beginnen.” In de Gouden Eeuw, toen er meer handelswaar en olie beschikbaar kwam, werd de oliebol steeds meer een traktatie in plaats van pure noodzaak. Vanaf de negentiende eeuw groeide hij uit tot de oliebol zoals we die nu kennen.

Volgens de bekroonde oliebollenbakker draait de traditie vandaag de dag vooral om saamhorigheid. “Een oliebol werkt verbindend: families of buren die achter in een schuurtje oliebollen bakken. Samen tel je af naar het nieuwe jaar en daar hoort gewoon een oliebol bij.” Waar je ook bent in Nederland, die traditie wordt gedeeld. “Dat is het mooie ervan”, zegt hij. 

Tips voor thuisbakkers

Voor thuisbakkers heeft hij nog wel wat gouden tips. “Alles draait om temperatuur”, legt hij uit. “Zorg dat al je ingrediënten op kamertemperatuur zijn. Het beslag moet rond de 26 à 27 graden zijn, 28 kan ook nog net. Maar let op dat als je iets kouds toevoegt, dat alles meteen afkoelt.” Het rijzen gebeurt idealiter in een warme, licht vochtige omgeving. “Je kunt een magnetron gebruiken: zet er een kopje kokendheet water bij voor wat condens, of leg een vochtige theedoek over het beslag en laat het daar een half uurtje rijzen.”

Ook de temperatuur van de olie verdient aandacht. “Wij bakken op 174 graden. Is de olie te warm, dan verbrandt de oliebol. Is hij te koud, dan zuigt het beslag zich vol met olie en wordt hij vet. Dat wil je niet.” Hoe je ‘m wél wil? “Een oliebol moet luchtig zijn, krokant van buiten en niet zwaar op de maag vallen.” Vroeger was dat overigens anders. “Toen waren ze veel vetter, dat hoorde bij de tijd. Nu willen we dat mensen denken: hé, deze eet lekker weg.”

Wat oliebollenbakker Koopmans het mooiste aan zijn vak vindt, daar hoeft hij niet lang over na te denken. “Dat je mensen met een glimlach de deur uit ziet gaan. Dat ze zeggen: ‘Dat was lekker joh.’ Daar doen we het voor. Dit is echt het mooiste vak dat er is.”