Toen Nisrine Mbarki Ben Ayad gevraagd werd om twee jaar lang de titel Dichter der Nederlanden te dragen, ging ze te rade bij haar beste vrienden. „Het duurde wel even voordat ik volledig besefte dat deze eer mij nu toekomt en het accepteerde. Ook omdat ik, als ik iets doe, er honderd procent voor ga, niet een beetje. Dan weet ik: dan moet ik ook alle consequenties dragen, als iemand die liever in de schaduw staat dan in de schijnwerpers. Maar toen zei een van m’n beste vriendinnen: ‘Dit gaat niet om jou. Het gaat om je poëzie, en om wat wij zijn, wat Nederland is op dit moment.’ Toen dacht ik: ik kan doen wat ik het liefst doe, poëzie schrijven, en ik mag het doen voor mijn land. En het gaat hierom.” Ze drukt haar hand op haar dichtbundel, die voor haar op tafel ligt in een Amsterdams café. „Om de poëzie.”
Nisrine Mbarki Ben Ayad (Tilburg, 1977) publiceerde tot nog toe een theatertekst, een dichtbundel, Oeverloos (2022), en daar kwam afgelopen najaar haar eerste roman Kookpunt bij – en een zevental vertalingen van poëzie en theaterteksten uit diverse talen. Genoeg om de selectiecommissie te overtuigen die haar voordroeg als de nieuwe Dichter der Nederlanden. „Als dichter die de complexiteit niet schuwt maar juist omarmt, biedt Mbarki Ben Ayad in deze tijd een verfrissend en verdiepend geluid”, aldus het comité, dat haar typeerde als „een dichter die zowel kritisch als verbindend is, die een spiegel durft voor te houden en daarvoor de taal effectief weet in te zetten”.
Voordat ze haar poëzie zal laten klinken – op 1 februari wordt ze in de Amstelkerk in Amsterdam feestelijk geïnaugureerd – staat ze nu zelf even in de schijnwerpers. Wie is zij, waar komt ze vandaan, en waar gaat ze naartoe?
Wanneer schreef jij je eerste gedicht?
„Als kind al. Tenminste: ik schreef altijd in notitieboekjes, zonder ermee bezig te zijn wat ik dan schreef. Alles kon: een verhaaltje, een gesprek, een dialoog. Tot mijn docent Nederlands eens vroeg wat ik toch altijd zat te schrijven en ik hem iets liet lezen en hij regelde dat het gepubliceerd werd in een educatief boek. Daardoor wist ik: het zijn echt gedichten. Dat moment is me altijd bijgebleven, want daarvóór deed ik het voor mezelf, maar toen bleek dat mijn tekst ook iets kon betekenen voor iemand anders.”
En wat betekende dat voor jou?
„Ik besefte dat wat ik schreef niet alleen over mij ging. De wereld kon erdoor geraakt worden en dus ging het ook over die wereld en niet meer om mij. De kracht van literatuur.”
Dat gevoel kende je misschien doordat je die ervaring al had gehad als lezer?
„Nee, tot dat moment waren lezen en schrijven gescheiden dingen. Wat ik in die notitieboekjes schreef, was een soort denken op papier. Niet op een dagboekachtige manier, daar heb ik nooit wat in gezien: opschrijven wat er al was, waarom zou je? Ik ging altijd een stap verder, voegde iets toe. Bij mij kon de kat een gesprek voeren met de muizen in de keuken, of ik schreef aan Juliette Binoche, die ik in een film had gezien, en liet haar terugpraten. Dan werd het interessant, want het beperkte zich niet meer tot de realiteit, of tot één perspectief of visie.”
Dacht je er als kind ook op die manier over na?
„Misschien niet in die concepten, maar het stond daar toch ook niet heel ver vanaf. Want onder dit alles ligt mijn fascinatie voor de vraag wat realiteit is, waar ik als kind al erg mee bezig was. Met: wat is werkelijkheid? En is de werkelijkheid, zoals ik hem ervaar, de werkelijkheid of een werkelijkheid? En wie beslist dat dan?
„Ik denk dat ik het zo kan uitleggen: ik ben een reiziger, iemand die op veel plekken in de wereld heeft geleefd en gewoond en daardoor verbonden is met diverse delen van de wereld. Ik ben geboren en opgegroeid in Brabant en heb als kind een paar jaar in Marokko gewoond, tijdens mijn basisschooltijd woonde ik bij mijn grootouders in Marrakesh. Daarna kwam ik weer terug en ging ik naar de middelbare school in Den Bosch. Daarnaast speelt de koloniale geschiedenis een rol in mijn familie. Zoals voor vele Nederlanders met een diverse achtergrond.
„Die verschillende geschiedenissen en werelden maken allemaal deel uit van wie ik ben geworden, elke taal geeft je toegang tot een andere wereld en mijn wereld bestaat uit vele talen. De meerderheid van de wereldbevolking is niet eentalig, en ik wil ook niet gereduceerd te worden tot een cultuur, opvatting, wereldbeeld of taal. Ik geloof dat taal een archief van herinneringen is, in mijn geval bestaat dat archief uit zes talen – dat zijn naast het Nederlands ook Darija (Marokkaans-Arabisch), Tasjelhit (een Amazigh dialect), Frans, Engels en klassiek Arabisch. Zoals de filosoof Ngũgĩ zegt: ‘The more languages you speak, the more possibilities you have for seeing and relating to the world.’
„Het is niet zo dat de ene wereld meer waard is dan de andere wereld, zoals de buitenwereld je wil doen geloven als je opgroeit als Nederlands kind van kleur – ik ben eind jaren zeventig in een totaal witte omgeving geboren uit Marokkaanse ouders. Het Sinterklaasfeest en het Offerfeest zijn allebei deel van wie ik ben. Als je in al die verschillende werelden leeft, groei je op met dat besef van multipliciteit – een lelijk woord, veelvoudigheid, meervoudigheid.”
Was dat iets fijns, iets positiefs?
„Het heeft me in elk geval geleerd dat ik niet hoefde te kiezen. Als je meerdere achtergronden hebt, meerdere talen spreekt, dan moet je plek zoeken in een homogene, monolinguale samenleving die een norm oplegt. Voor mij is het nooit een optie geweest om delen van mezelf weg te cijferen of te ontkennen. Maar je kunt ook trouw blijven aan wie je bent en tegelijk leven in meerdere werelden en daar de schoonheid van inzien. Ik ben er in al mijn talen, achtergronden, rollen en complexiteiten, want dat is hoe de wereld is. Het Nederlandse systeem is niet gebouwd op deze rijke multipliciteit.”
Speelde het schrijven daarin een rol?
„Ja, het scheppen van die werkelijkheid werkte voor mij als het erkennen van die meerdere werelden. Schrijvend kon ik doen wat ik wilde, daar konden personages meertalig zijn, daar hoefde ik niet te bepalen wie precies de verteller was en was uniciteit geen issue maar een tool. Literatuur is per definitie een discipline die de dominante narratieven uitdaagt, en zeker mijn schrijven.”
In 2003, als student, stuurde ze gedichten in voor de El Hizjra Literatuurprijs, voor onontdekte literaire talenten met een Arabische achtergrond, en won. Ze werd benaderd door uitgevers die weleens kennis wilde maken – maar voor een boek was de tijd nog niet rijp, vond ze. In de jaren die volgden vervulde Nisrine Mbarki Ben Ayad talloze functies in het literaire veld, achter de schermen. Ze werkte als literair vertaler, als programmamaker bij literaire festivals, als docent, ze vervulde adviseursrollen, nam zitting in jury’s en commissies – ze werkte fulltime, werd moeder.
Vier jaar geleden verscheen Oeverloos. „Omdat ik toen wist dat ik het op mijn voorwaarden kon. Ik publiceer alleen werk waar ik zelf tevreden over ben en waarvan ik denk dat het iets toevoegt aan het bestaande literaire landschap. En ik heb totaal geen haast, Toni Morrison debuteerde op haar eenenveertigste.”
En nu dan Dichter der Nederlanden. Hoe ga je dat op jouw manier doen?
„Door poëzie te schrijven – het gaat om het werk en dat gaat niet om mij, want ik acht de poëzie heel hoog. Poëzie is de kunstvorm die de mens kan spiegelen en tegelijkertijd troosten, het is de minst commerciële kunstvorm en het is steeds de poëzie waar mensen naar grijpen in grote crisis, bij een overlijden, een ramp, en als er een kind wordt geboren. Het onverklaarbare, onhoorbare, onzegbare, dat vangt poëzie in een andere vorm. Ik weet niet hoe het werkt, maar ik kan het herkennen als het er is en ik kan voelen of het gelukt is. Als ik voor die kunstvorm de ambassadeur mag zijn, vind ik dat een privilege dat niet vanzelfsprekend is, ik zal het ambt volwaardig en naar eer dragen.”
Schrijf je een gedicht als het nieuwe kabinet op het bordes staat?
„Ik zal nooit een gedicht schrijven met de naam van een politicus erin. Ik zal geëngageerd schrijven, maar op een menselijk niveau, zonder de gebeurtenissen letterlijk te benoemen. Als er een oorlog uitbreekt, zal ik niet over die oorlog schrijven, maar de oorlog zal in het gedicht zitten. Want wanneer het superexpliciet wordt, sluit het heel veel andere dingen uit. Gaat het over oorlog, dan gaat het ook over de oorlog in Soedan, en die in Oekraïne en de oorlog die gewone mensen in de VS voeren tegen de ICE, en de oorlog die dakloze kinderen voeren tegen armoede, want dat is ook oorlog. Dat ene moment in onze geschiedenis is maar een voorbeeld, van iets groters – en als ik alleen dat moment benoem, sluit ik al het andere uit. Dat wil ik niet. Want mijn leed is jouw leed, ons leed is ook andermans leed.”
Wordt het dan niet… vaag?
„Oh, maar ik zal concreet zijn! In mijn dichtbundel schrijf ik: ‘in mijn woonkamer hangt een zwart-witfoto van twee jonge mensen begin jaren zeventig’, concreet maar niet specifiek, zodat iedereen daar zijn eigen beeld bij zal vormen. Mijn werk is gelaagd, maar is altijd in eenvoudige, toegankelijke taal geschreven. Ik zal op een manier schrijven dat mensen echt wel weten waarover het gaat en dat betekent misschien ook dat een Syrische vluchteling zich ermee kan verbinden, en mijn oude Brabantse buurmeisjes Esther en Petra. En mijn Palestijnse en Amerikaanse vrienden of Oekraïense collega’s, die kunnen denken: dit gebeurt ook bij ons. Zeven mensen zullen zeven verschillende versies van het gedicht lezen en ik schrijf al die versies, voor al die lezers. Dat is voor mij de kracht van poëzie, die meervoudigheid.”
Lees ook
Babs Gons begint als Dichter des Vaderlands: ‘Ik wil dat een gedicht iets veroorzaakt, iets dóét’

Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
De journalistieke principes van NRC