Op Schiphol konden veel buitenlandse reizigers het begin deze week amper geloven. Uren, soms zelfs dagen, stonden ze in de rij voor de klantenservice van KLM, wachtend op duidelijkheid over hoe ze weg konden komen, of waar ze hun koffers konden vinden. Keken ze ondertussen naar buiten, dan zagen ze dinsdagmiddag een zonnetje en een laag sneeuw. Is het, vroeg onder meer de Schot Ellis Stabler, gestrand op een tussenstop van Hannover naar Glasgow, „normaal dat jullie land hierom plat gaat?”
Zijn vriendin en hij hadden op een van de ruim tweeduizend vluchten moeten zitten die Schiphol in de dagen daarvoor al had geannuleerd; door de sneeuwstorm woensdagochtend kwamen er daar nog eens ruim achthonderd bij. Honderdduizenden reizigers waren de dupe. Na London Heathrow en Istanbul Airport is geen vliegveld zo verbonden met de rest van de wereld als Schiphol. Die netwerkfunctie is op goede dagen de kracht van het vliegveld, maar maakte het deze week kwetsbaar.
Het spoor? Geen ander Europees land heeft een netwerk dat zó efficiënt, fijnmazig en drukbereden is. Hoewel ook in andere landen door sneeuw treinen uitvielen, was de impact in Nederland groter. Bevriezen aan de ene kant van het land wissels, dan kan dat betekenen dat aan de andere kant van het land een trein niet rijdt. De hoofdstad was door een opeenvolging van wisselstoringen en problemen met ict zelfs dagenlang vrijwel niet per trein bereikbaar.
Wie woensdag de vlokken trotseerde, trof steden die sinds de coronalockdowns niet meer zo stil waren geweest. Baby’s die toen werden geboren, kleuters inmiddels, maakten voor het eerst sneeuwpoppen. Ze waren amper, of niet, geboren toen Nederland in januari 2021 voor het laatst zo’n pak sneeuw zag. Door opwarming van de aarde sneeuwt het hier sowieso steeds minder. In 1961 waren er nog gemiddeld 23 dagen per jaar met een ononderbroken laag sneeuw op de grond, schreef het KNMI, tegenwoordig zijn het er gemiddeld 3.
Heeft het dan zin om veel speciale materialen en honderdduizenden liters extra antivriesvloeistof klaar te hebben staan op Schiphol? Of om alle zesduizend wissels op het Nederlandse spoor te verwarmen? Dat is, zo verdedigden Schiphol en ProRail zich, duur en, gezien het beperkte aantal dagen sneeuw, niet kostenefficiënt.
We hebben Nederland ontzettend efficiënt en goedkoop ingericht
Annelies van Vark
Instituut Clingendael
We hebben Nederland „ontzettend efficiënt en goedkoop ingericht”, zegt Annelies van Vark, die zich op Instituut Clingendael specialiseerde in weerbaarheid en promoveerde op dat onderwerp. „Vaak wordt gezegd: just in time and just enough. In goede tijden kom je daarmee weg. Maar als een klein dingetje misgaat, loopt alles in de soep.”
De verstoringen deze week hadden daarmee wel iets weg van de coronaperiode. Andere omvang, duur en intensiteit, zeker – maar ook toen bleken de hyperefficiënte systemen die Nederland in goede tijden laten floreren kwetsbaar. Ziekenhuizen die in gewone tijden altijd net genoeg bedden hadden, kwamen tekort omdat ‘overcapaciteit’ te duur was bevonden. Handelsroutes die normaal gesproken een stabiele stroom medische noodmiddelen garandeerden, droogden ineens op, strategische noodvoorraden ontbraken. Burgers die nuchter leken, na een persconferentie van toenmalig premier Mark Rutte op een donderdagmiddag begin maart massaal de supermarkten leeg.
Nederland, constateerden betrokkenen in de top van de nationale crisisorganisatie dan ook al aan het begin van de pandemie, was eigenlijk geen schokbestendig land. Zie het als een Formule 1-auto: hypergeoptimaliseerd, geen grammetje teveel, maar niet geschikt om off road te gaan.
Nederland is als een F1-auto: hypergeoptimaliseerd, geen grammetje teveel, maar ga er niet off road mee
Sindsdien gaat het vaker over ‘weerbaarheid’. Nederland, klonk het al tijdens de pandemie, moest leren om minder afhankelijk te worden van het buitenland. Om strategische voorraden aan te leggen die in normale tijden misschien duur waren, maar in crisistijd cruciaal. ‘Just in time’ moest naar ‘just in case’. Overheid en samenleving moesten beter worden voorbereid op grootschalige ontwrichtingen.
Die lessen zijn nog relevanter geworden sinds de coronacrisis in februari 2022 overliep in oorlogsdreiging vanuit het oosten. Hybride aanvallen testen vrijwel wekelijks de (digitale) infrastructuur van westerse samenlevingen. Een kantelende wereldorde, waarin zekerheden die decennialang in ieder geval voor het westen vrijwel rotsvast waren gaan glijden, versterkt de onzekerheid. Zelfs klassieke, langjarige bondgenoten kunnen een potentiële bedreiging worden, zoals Groenland, Denemarken en daarmee Europa deze week ondervonden.
De Britse econoom Adam Tooze omschreef zo’n tijd van permanente onzekerheid de laatste jaren geregeld als een „polycrisis”, waarin economische, sociale en politieke ontwrichtingen elkaar versterken. Verbondenheid die in goede tijden een kracht is, kan dan : oorlog in Oekraïne, bijvoorbeeld, werkt door in de energieprijzen in andere landen, wat leidt tot meer inflatie en politieke onrust, enzovoort.
De toekomst is steeds onzekerder en, potentieel, ontwrichtender. Van Vark op de besmetting van drinkwater in Amersfoort en de sabotage van het stroomnetwerk in Berlijn, eveneens afgelopen week. In Amersfoort waren de schappen met drinkwater snel leeggekocht.
Nee, zegt ze: je kunt niet elk risico uitsluiten. Maar de groeiende kans op ontwrichtingen moet volgens haar wel leiden tot een omslag in het denken en handelen van overheid én samenleving. Welke risico’s zijn acceptabel? Hoe kunnen reservesystemen gemaakt worden, waar men op kan terugvallen als primaire systemen uitvallen? „Defensie denkt daar al meer over na en investeert daarin. Maar in maatschappelijke weerbaarheid gebeurt dat nog onvoldoende.” Scandinavische landen hebben dat beter op orde, zegt ze. „Finland heeft bijvoorbeeld voor negen maanden aan graanvoorraden. En tijdens covid trokken ze een paar hallen open die vol stonden met beademingsapparatuur. Ja, dat kost geld en tijd.”
Want maatschappelijke omslagen gaan traag – áls ze al echt ingezet worden. Met het wegebben van een crisis of ontwrichting verdwijnt vaak ook snel de urgentie. Zo is de 300 miljoen euro die Den Haag na corona wilde investeren om beter voorbereid te zijn op toekomstige pandemieën, alweer grotendeels wegbezuinigd. Het geld dat wel bleef, is slechts tijdelijk.
Of neem de strategische drinkwatervoorraden die provincies sinds 2018 moeten aanwijzen; amper de helft voldoet daar inmiddels aan, bleek vorig jaar uit onderzoek van journalistiek platform Investico. Ondertussen tikt de tijd: de voorraden zijn bedoeld om vanaf 2030 watertekorten op te vangen, maar meerdere provincies kampen daar nu al mee. En nadat de Algemene Rekenkamer in 2022 constateerde dat Nederland, anders dan sommige andere Europese landen, geen strategische voedselvoorraden heeft, reageerde de minister van landbouw dat daar simpelweg „geen aanleiding” voor was. Wel zou er een crisisplan komen. Vier jaar later wordt daar nog aan gewerkt, zegt een woordvoerder.
„Je hebt soms een wake up call nodig”, zegt Van Vark. Een onbegaanbaar spoor is voor forenzen irritant, maar kan tijdens een crisissituatie problematisch zijn. Juist aan infrastructuur is veel onderhoud nodig, erkende het kabinet eerder al. Een deel van de extra NAVO-miljarden zal daarvoor worden aangewend de komende jaren. „We moeten maar hopen dat het nog even duurt voordat er écht iets gebeurt.”
In de Rotterdamse haven, het beginpunt van een belangrijke militaire corridor naar het oosten van Europa, konden daardoor deze week nog de wissels bevriezen van de sporen waar zwaar militaire materieel over vervoerd moet worden, met uitval van goederentreinen tot gevolg. Maar elders op het traject bood de sneeuw juist een kans: rond Amersfoort konden militairen trainen op het sneeuwvrij maken van het spoor. Dat was voor het eerst sinds de Russische inval in Oekraïne.
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
De journalistieke principes van NRC