Na het voortreffelijke en overrompelende postpunkdebuut New Long Leg en de net zo goed ontvangen opvolger Stumpwork wordt Dry Cleaning door Nick Cave ingepalmd om tijdens de Wild God tour voor hem te openen. De dromerige, zachte en wat beperkte praatzang van Florence Shaw komt daar niet volledig tot zijn recht maar het biedt de band in ieder geval meer dan voldoende speeluren, die ze gretig benutten. Daarna duiken ze weer de studio in om aan Secret Love te werken. Het is een voorrecht dat leden van Gilla Band zich hierin mengen. In deze sessie ontstaan een twintigtal nummers.
Na het voormalige PJ Harvey maatje John Parish, die de eerste twee albums produceerde, mag nu producer Cate Le Bon het geheel passend maken. Ze onderzoekt de mogelijkheden om de demo-probeersels in kant en klare songs te gieten. Hierdoor verdwijnt het hoekige, traditionele, vroege jaren tachtig postpunkgeluid wat meer naar de achtergrond. Niet dat de eighties volledig verdwenen zijn, maar het mag net wat sensueler en vrouwelijker klinken. De drums zijn droog en blikkerig, waardoorheen de stevige new wave gitaarklanken zich een weg wringen. Voor de releasedatum sneuvelen nog een aantal tracks, waarna er een veelzijdig elftal overblijft.
Ondertussen hebben we wel geleerd om niet teveel diepgang achter de cryptische teksten van Florence Shaw te zoeken. Het is aan de luisteraar om deze naar behoefte verder uit te pluizen. Dry Cleaning plundert het muziekverleden en in het groovende Hit My Head All Day is de invloed van Prince en één van zijn muzikale leermeesters Sly Stone overduidelijk voelbaar. Het door Robert Fripp beïnvloede gitaarspel wekt de indruk dat Nile Rodgers aan de touwtjes trekt. Het zijn allemaal tekenen aan de wand dat Cate Le Bon samen met Dry Cleaning voor een wat commerciëlere invalshoek kiest, al geldt dit zeker niet voor de gehele plaat.
Cruise Ship Designer bezit nog dat statige en tegenstrijdige funkende van de eerste twee albums. Hier is bassist Lewis Maynard de meest geschikte kandidaat om bijna drukkend monotoon verbaal tegengas te geven. Zangeres Florence Shaw bewandelt gewoon haar eigen pad dat ze vervolgens bij de late jaren tachtig punkrock van My Soul / Half Pint brengt. Jeff Tweedy van Wilco is hierbij de grote verrassing; hij levert het merendeel van de stevige gitaarakkoorden aan. Het wekt in ieder geval sterk de indruk dat de Londenaren zich verbreden en zich duidelijk op de Amerikaanse markt richten. Er zit in ieder geval meer dan voldoende New Yorkse No Wave in Secret Love verwerkt.
Het is een kleine stap naar de indierock van het voortkabbelende, bijna gezongen Secret Love (Concealed in a Drawing of a Boy) en ook in het afsluitende Joy onderneemt Florence Shaw een heuse poging om melodielijnen aan de voordracht toe te voegen. Met de eenvoud van Let Me Grow and You’ll See the Fruit staat Dry Cleaning volledig in het nu, het acclimatiserende, bedankende rustpunt van het album. Bij het ritmische Blood staan de drums van Nick Buxton op migraine/oorlogsstand opgesteld. Gedurfd, maar net iets teveel van het goede. Bij het logge kruipende gedrocht Evil Evil Idiot werkt dit echter wel. Avontuurlijk met het duellerende samenspel tussen bassist Lewis Maynard en de krassende gitaarinterrupties van Tom Dowse.
De primitieve punk van Rocks haakt op het stampende Blood in. Niet eerder drukt Gilla Band zijn stempel zo op een albumtrack. Ook hier waan je jezelf in een slachterij waar aan de lopende band kant en klare, voor consumptie bedoelde en op maat gemeten, messcherpe brokken aan industrieel postpunkgeweld worden aangeleverd. De ouderwets swingende en ruige The Cute Things folkpunk is luchtiger van toon. De publieke schijt aan de wereld-liefdesverklaring van I Need You schetst een beeld van simpele minimalistische voldoening. Op muzikaal vlak valt er in de toekomst genoeg winst te halen, al lijkt het er wel op dat Florence Shaws’ stembereik het plafond behaald heeft. Dit kunstje kennen we nu wel, benieuwd of ze er in de toekomst een andere twist aan geeft.