Op 1 januari was het precies tien jaar geleden dat China het eenkindbeleid afschafte. Slechts tien dagen eerder overleed Peng Peiyun op 96-jarige leeftijd. Zij hield jarenlang toezicht op de vaak wrede handhaving van de Chinese regels voor gezinsplanning, maar is nooit ter verantwoording geroepen voor haar rol daarin. In sommige overlijdensberichten werd Peng zelfs geprezen als ‘hervormingsgezind,’ terwijl zij in de praktijk vooral volstrekt onmenselijk beleid heeft voortgezet. De maatschappelijke en demografische gevolgen van dat beleid beginnen pas nu echt zichtbaar te worden.
Het was Chen Muhua, destijds vicepremier, die in 1979 als eerste het eenkindbeleid voorstelde. Zij kreeg daarbij steun van de toenmalige Chinese topleiders Chen Yun en Deng Xiaoping. Het beleid werd gepresenteerd als een middel om graantekorten te voorkomen, tekorten die zij – achteraf gezien – ten onrechte vreesden. Pas een jaar later, in 1980, viel het definitieve besluit om het beleid in te voeren. Dat gebeurde nadat raketwetenschapper Song Jian en econoom Tian Xueyuan hadden gewaarschuwd dat de Chinese bevolking, als er niets zou veranderen, tegen 2080 zou kunnen groeien tot 4,26 miljard mensen.
Omdat sommige hoge partijleiders sceptisch stonden tegenover het voorstel, werd het eenkindbeleid niet via formele wetgeving aangekondigd of ingevoerd, maar via een ‘open brief’ aan de bevolking. Vanaf 1985 werd in verschillende regio’s bovendien geëxperimenteerd met een tweekindbeleid.
Na de protesten op het Tiananmenplein in 1989 wist Song, die inmiddels was gepromoveerd tot staatsraad, de pas benoemde Chinese president Jiang Zemin ervan te overtuigen het eenkindbeleid verder aan te scherpen. Binnen twee jaar daalde het vruchtbaarheidscijfer tot onder het vervangingsniveau van 2,1 kinderen per vrouw. In plaats van het beleid op dat moment af te bouwen, breidde Peng Peiyun, in haar rol als hoofd van de Nationale Commissie voor Bevolking en Gezinsplanning, het zogenoemde ‘een-stem-veto’-systeem verder uit. Dit systeem koppelde de loopbaan en promotiekansen van ambtenaren rechtstreeks aan hun prestaties bij de uitvoering van het gezinsplanningsbeleid.
Dit beleid zette de lokale autoriteiten in heel China ertoe aan om steeds hardere methoden toe te passen. Zo voerde de provincie Shandong in 1991 de meedogenloze campagne ‘Honderd Kinderloze Dagen’ uit. Tijdens deze actie werden vrouwen opgepakt en gedwongen tot abortussen of ingeleide bevallingen. Peng Peiyun prees deze aanpak openlijk en riep andere regio’s op om dit voorbeeld te volgen. Tijdens haar ambtsperiode (1988-1998) kregen naar schatting 110 miljoen vrouwen een spiraaltje, werden 41 miljoen vrouwen gesteriliseerd en ondergingen 110 miljoen vrouwen een abortus, vaak onder dwang. Het totale vruchtbaarheidscijfer daalde hierdoor van 2,3 kinderen per vrouw in 1990 naar 1,22 in 2000.
Peng bleef promoties krijgen. In 1998 werd zij vicevoorzitter van het Nationale Volkscongres en voorzitter van de All-China Women’s Federation, een organisatie waarvan de lokale kaders actief meewerkten aan de handhaving van het gezinsplanningsbeleid. In 2001 wist Peng samen met Jiang Zhenghua, eveneens vicevoorzitter van het Nationale Volkscongres, president Jiang Zemin ervan te overtuigen om de Gezinsplanningswet in te voeren. Met deze wet werd een einde gemaakt aan de juridisch ‘illegale’ status van het beleid. Tot dat moment was niet alleen het eenkindbeleid, maar het hele gezinsplanningsbeleid formeel onwettig, inclusief de twee- en driekindregelingen die in de jaren zeventig hadden bestaan.
Cruciaal is dat Peng Peiyun van 1994 tot 2007 ook voorzitter was van de Chinese Association for Population Studies, en van 2007 tot 2018 erevoorzitter. In die functies kon zij ervoor zorgen dat demografisch onderzoek vooral ideologisch wenselijk was, in plaats van feitelijk nauwkeurig. Zo liet de volkstelling van 2000 een vruchtbaarheidscijfer van slechts 1,22 zien, maar dit cijfer werd naar boven bijgesteld naar 1,8. Yu Xuejun, woordvoerder van de Nationale Commissie voor Bevolking en Gezinsplanning, verklaarde in 2007 immers dat een vruchtbaarheidscijfer van 1,2 het gezinsplanningsbeleid overbodig zou maken.
Wanneer waarnemers Peng Peiyun als een hervormer bestempelen, verwijzen zij meestal naar het voorstel uit 2004 waarin zij namens officiële demografen pleitte voor een versoepeling van het eenkindbeleid. Dat voorstel riep echter niet op tot een snelle afschaffing van de regels voor gezinsplanning, maar tot een geleidelijke invoering van een tweekindbeleid. Dit standpunt werd onderbouwd met twijfelachtige cijfers. De auteurs voegden ruim 26 miljoen mensen toe aan de bevolkingsomvang zoals die was vastgesteld in de volkstelling van 2000, verhoogden het vruchtbaarheidscijfer van 1,2 naar 1,6, en waarschuwden dat een algemeen tweekindbeleid de Chinese bevolking boven een vermeende ‘waarschuwingsgrens’ van 1,6 miljard inwoners zou brengen.
Deze beoordeling stond in scherp contrast met mijn eigen onderzoek. Tussen 2000 en 2007 publiceerde ik een reeks artikelen, rapporten en een boek waarin ik voorspelde dat het vruchtbaarheidscijfer, zelfs bij afschaffing van de maatregelen voor gezinsplanning, niet het vervangingsniveau zou bereiken. Integendeel: ik voorzag dat het daarna verder zou dalen, naar 1,47 kinderen per vrouw in 2023. Ook voorspelde ik dat de Chinese bevolking zou pieken op minder dan 1,4 miljard mensen. In plaats van deze waarschuwingen serieus te nemen, besloten de beleidsmakers mijn boek te verbieden.
Zoals te verwachten was, bleef het vruchtbaarheidscijfer dalen, terwijl ambtenaren het cijfer steeds opnieuw naar boven bijstelden. Zo werd het resultaat van de volkstelling van 2010, dat uitkwam op 1,18 kinderen per vrouw, later verhoogd naar 1,63. Tegelijkertijd adviseerden hoge functionarissen op het gebied van de gezinsplanning het Politbureau om ‘blijvend en met ernst te streven naar een laag geboortecijfer.’
Omdat mijn voorspellingen uiteindelijk juist bleken nodigde de Chinese regering mij in 2012 uit om een rapport van vijftigduizend woorden te schrijven. Dit rapport was uitsluitend bedoeld voor verspreiding onder de hoogste leiders van China. Maar opnieuw botsten mijn berekeningen met de opgeblazen voorspellingen van officiële demografen. Zo deden zeventien van hen de onverklaarbare bewering dat het landelijk toestaan van twee kinderen per huishouden zou leiden tot een explosieve stijging van het vruchtbaarheidscijfer naar meer dan 4,4 kinderen per vrouw. De regering volgde deze inschatting en besloot in 2014 tot een selectieve invoering van het tweekindbeleid. Pas in 2016 – toen officiële prognoses voorspelden dat het vruchtbaarheidscijfer zich tot 2030 zou stabiliseren rond 1,8 kinderen per vrouw, waarna de bevolking zou gaan krimpen – werd het tweekindbeleid uiteindelijk landelijk ingevoerd.
Hoewel Peng Peiyun in haar latere jaren wel enige zelfreflectie toonde was het kwaad al geschied. Ambtenaren erkennen inmiddels dat de Chinese bevolking in 2022 is begonnen te krimpen en dat het vruchtbaarheidscijfer in 2025 waarschijnlijk is gedaald naar slechts 0,9 kinderen per vrouw. Een demografische ineenstorting is daarmee een reëel scenario geworden.
Deze geschiedenis laat een fundamentele zwakte in het Chinese bestuur zien: wanneer beleid wordt gesteund door hoge ambtenaren, kan het falen ervan jarenlang worden verhuld, mede door het gebruik van onjuiste of gemanipuleerde gegevens. Daardoor blijft schadelijk beleid veel te lang in stand. Dit staat in scherp contrast met de ervaringen in het democratische India. Daar voerde premier Indira Gandhi in 1975 eveneens dwingende maatregelen voor gezinsplanning in. Twee jaar later werd zij echter weggestemd, waarna het beleid snel werd teruggedraaid.
Vertaling: Menno Grootveld | Copyright: Project Syndicate, 2026
Lees ook:
Yi Fuxian is wetenschapper aan de universiteit van Wisconsin–Madison en was een van de belangrijkste drijvende krachten achter het verzet tegen het Chinese éénkindbeleid.

