Na ruim veertig jaar zonder aanpassing wil staatssecretaris Eugène Heijnen (Financiën) de forfaits in de schenk- en erfbelasting moderniseren.


In een Kamerbrief schetst hij een voorstel om de verouderde rekenrente en levensverwachting die worden gebruikt bij de waardering van genotsrechten en periodieke uitkeringen te actualiseren. De hervorming moet per 1 januari 2028 ingaan en heeft ingrijpende gevolgen voor estateplanning, met name bij rentedragende onderbedelingsvorderingen en papieren schenkingen.

Forfaits stammen uit 1980

De huidige forfaits zijn gebaseerd op een rekenrente van zes procent en levensverwachtingen uit 1980. Sindsdien zijn zowel de marktrente als de sterftecijfers ingrijpend veranderd. De Algemene Rekenkamer concludeerde al in 2019 dat deze forfaits onvoldoende aansluiten bij de economische realiteit en tijdig zouden moeten worden geactualiseerd. In opdracht van het ministerie onderzocht Deloitte vervolgens hoe modernisering vorm kan krijgen.

Heijnen onderschrijft nu die noodzaak. Volgens hem leidt de hoge normrente van zes procent tot aanzienlijke fiscale voordelen bij estateplanning, die niet meer te rechtvaardigen zijn gezien de huidige lage renteomgeving.

Grote impact op onderbedelingsvorderingen

De forfaits spelen een centrale rol bij de wettelijke verdeling. Bij het overlijden van de eerste ouder krijgen kinderen doorgaans een niet-opeisbare vordering op de langstlevende partner. Voor de erfbelasting wordt het genot van deze schuld bij de langstlevende gewaardeerd via een fictief vruchtgebruik, waarbij de normrente van zes procent cruciaal is.

Juist die hoge normrente maakt het aantrekkelijk om een rente overeen te komen over de onderbedelingsvordering. Die rente vergroot de schuld in de nalatenschap van de langstlevende en drukt zo de erfbelasting bij het tweede overlijden. Uit cijfers van de Belastingdienst blijkt dat bij grote nalatenschappen in veruit de meeste gevallen rente wordt bedongen: bij vermogens boven vijf miljoen euro zelfs in 87 procent van de gevallen.

Het moderniseringsvoorstel beperkt dit voordeel aanzienlijk. De rekenrente zal niet langer vast zes procent bedragen, maar worden gebaseerd op de risicovrije rente, afgeleid van de UFR-rentetermijnstructuur van De Nederlandsche Bank. Op basis van huidige ramingen zou dat neerkomen op circa drie procent.

Nieuwe systematiek: lager, maar dynamisch

De rekenrente wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van een voortschrijdend vijfjaarsgemiddelde. Daarmee wil het kabinet grote schommelingen in belastingdruk voorkomen. Voor bestaande situaties komt overgangsrecht: nalatenschappen waarbij het eerste overlijden vóór invoering plaatsvond, blijven onder het oude forfait vallen. Daarmee wordt voorkomen dat keuzes uit het verleden met terugwerkende kracht nadelig uitpakken.

Ook de levensverwachting wordt gemoderniseerd. In plaats van oude CBS-periodetafels wordt voortaan aangesloten bij de prognosetafels van het Koninklijk Actuarieel Genootschap, op basis van een sekseneutrale levensverwachting.

Papieren schenkingen en onzakelijke leningen

De modernisering raakt ook papieren schenkingen. De normrente van zes procent, die jaarlijks moet worden betaald om erfbelasting te voorkomen, wordt vervangen door de nieuwe lagere rekenrente. Dat beperkt het jaarlijks onbelast overdragen van liquide middelen, maar maakt het tegelijkertijd mogelijk om grotere bedragen op papier te schenken.

Voor onzakelijke leningen wil de staatssecretaris het forfait juist uitsluiten. Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 2024 acht de staatssecretaris toepassing van het vruchtgebruikforfait hier onwenselijk, omdat het werkelijke schenkingskarakter onvoldoende tot uitdrukking komt.

Verdelingseffecten

De modernisering levert structureel circa 196 miljoen euro op. Die opbrengst komt vooral van grotere vermogens: ongeveer 55 procent wordt opgebracht door de grootste tien procent nalatenschappen. Naar verwachting krijgt circa elf procent van de nalatenschappen te maken met een hogere erfbelasting.

Herziening vanaf 2028

Bedoeling is het voorstel in de loop van 2026 in internetconsultatie te brengen. De Eerste Kamer heeft hiervan een afschrift ontvangen. De Kamer krijgt in 2026 de gelegenheid om over het voorstel te debatteren. Als het traject volgens planning verloopt, treedt de eerste grote herziening van de forfaits sinds 1980 per 1 januari 2028 in werking.

Lees de volledige Kamerbrief hier.