“Als je nou niet stilhoudt, stap ik uit en gaan we lopen met z’n allen”

De fanreis van John en Kees is in volle voorbereiding. Het duo is reist af naar het zonnige Kos om alles tot in de puntjes te regelen voor hun aanstaande trip. Al snel blijkt dat de grootste uitdaging niet de reisorganisatie is, maar het verlaten van de parkeergarage.

Kees neemt vol goede moed plaats achter het stuur van hun gehuurde auto. “Ik ben een hartstikke goede chauffeur”, klinkt het zelfverzekerd. Maar zodra hij gas geeft, slaat de twijfel toe. “Ja, dat was nog niet zo makkelijk. Dat wegrijden”, aldus John.

John is niet de enige die zich ermee bemoeit. “Nee, je moet zo draaien. Nee, daarheen!” roept hij, gevolgd door stemmen van andere passagiers en een wild gesticulerende man buiten de auto. Het zweet breekt Kees uit. “Gaat iedereen zich nou bemoeien met hoe ik rijd?” roept hij gefrustreerd.

Het zorgt voor een gespannen sfeer in de auto. “Wij hebben nooit ruzie”, benadrukt Kees. “Behalve als hij naast me zit in de auto. Dan word ik al zenuwachtig voordat ik er überhaupt in zit.” Met een schreeuwende John en passagiers die zich ook bemoeien met de situatie, knapt er iets bij de zanger. “Ik ben toch niet achterlijk? Ik rijd gewoon die auto eruit.”

Na wat lijkt op een levensgevaarlijke choreografie van steken, draaien, wachten en weer achteruit, weet Kees de huurauto uiteindelijk de parkeergarage uit te manoeuvreren. “Als je nou niet stilhoudt, stap ik uit en gaan we lopen met z’n allen”, bijt hij John nog een laatste keer toe. Uiteindelijk komen ze heelhuids aan bij het hotel.

Ondanks de spanningen tussen de heren zijn ze nog lang niet klaar met elkaar: