Het blijft spannend: je wéét dat er soms eentje zit, maar het is elke keer weer de vraag of je hem vandaag zult zien. Misschien – als je heel goed oplet. Als je gericht speurt met je verrekijker, en soms juist even in de rondte kijkt. Als je je oren spitst en geduld hebt. „En een portie geluk”, zegt Saskia van Loenen. „Want vaak zit ’ie er ook gewoon níét”, zegt Jean-Pierre Geelen.

En zij kunnen het weten, want ze komen hier vaak, in dit grote park in Amersfoort. Altijd op zoek naar de ijsvogel. De fraaie viseter met zijn fonkelend blauwe rug en feloranje buik, die nu eens als een schicht over het water vliegt en dan weer roerloos op een takje zit. Die soms lijkt weg te vallen tegen de achtergrond van riet en water, en soms juist heel opvallend schittert in het zonlicht.


Bekijk artikel in krant

De ijsvogel

Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen. Uitg. Atlas Contact, 26,99 euro.

Deze beide fans („zeg maar gerust dat we verslaafd zijn”) schreven er een boek over, De ijsvogel, dat op 27 november verschijnt in de succesvolle Vogelserie van uitgeverij Atlas Contact. Geen wetenschappelijke monografie, maar een „eerbetoon aan het blauwe wonder”, schrijven ze zelf in de inleiding. Een verzameling van eigen ervaringen, „de verhalen, de betovering en de wetenschap.”

Magische kleur

Ze vertellen erover terwijl we met een verrekijker op een bruggetje staan in stadspark Elisabeth Groen. Hier kronkelt een lint van oude landgoederen in het dal van de Heiligenbergerbeek. „Vanuit het centrum van Amersfoort loop je alleen maar in het groen, helemaal tot in natuurgebied Den Treek”, vertelt Van Loenen. Zij is eindredacteur bij NRC; Geelen is natuurjournalist bij de Volkskrant. Twee doorgewinterde natuurliefhebbers die, naast hun chaotische krantenbanen, samen de tijd hebben genomen om een boek te schrijven.

Waarom de ijsvogel? „Ja, omdat het de mooiste is, hè? Die kleuren, die zijn echt fenomenaal”, zegt Geelen. Van Loenen: „Sommige andere vogels in Nederland zijn ook heel mooi. Pestvogel, goudvink, en zelfs bijeneters, tegenwoordig. Die zijn wel een geduchte concurrent. Maar ja, die hebben niet dát blauw.” Die blauwe kleur voegt iets toe wat geen enkele andere vogel heeft, merkt ze op. „Een kleur die bijna niet in de natuur voorkomt, en die iets magisch heeft, iets buitenaards bijna, iets wat maakt dat je hart telkens een sprongetje maakt als je er een ziet.”

Je hart maakt telkens een sprongetje maakt als je er een ziet

Saskia van Loenen
NRC-eindredacteur

En dat zit hier dan gewoon langs de sloot, zegt Geelen droog. „Maar wist je dat zijn veren eigenlijk helemaal niet blauw zijn? Ze zijn vooral grijs. Ja, er zitten wat blauwe vlekken op de puntjes. Maar dat schitterende blauw, dat zie je alleen als de zon er op een bepaalde manier op valt.”

Dat heeft te maken met zogeheten structuurkleuren, vertellen de auteurs in het boek. De nanostructuur van de ijsvogelveer zorgt ervoor dat het zonlicht op allerlei manieren wordt weerkaatst. Onder een bepaalde hoek treedt er interferentie op: de golven van het weerkaatste licht vallen met elkaar samen, waardoor ze elkaar bij bepaalde golflengten – oftewel kleuren – versterken of juist uitdoven. Een iriserend effect, dat je ook ziet in het zwartblauw van de ekster, het blauwgroen van de wilde eend en het paarsgroen van zeepbellen en parelmoer.

Intussen is in het park nog geen ijsvogel te zien. Wel een overvliegende sperwer, keuvelende staartmeesjes en het melodieuze gefluit en gerasp van een groepje spreeuwen in de hoge boomtoppen. Geelen en Van Loenen zijn overal op gespitst en weten alles ook meteen te benoemen. „Maar het zou wel leuk zijn als die ijsvogel zich nu even laat zien”, zegt Van Loenen, die zich verantwoordelijk lijkt te voelen voor het welslagen van onze missie.

Blij en gelukkig

Het is niet alleen zijn uiterlijk dat de ijsvogel zo boeiend maakt, haasten beide auteurs zich te zeggen. Het is ook zijn levensverhaal dat zo magisch is. „In 1979 hadden we minder dan dertig broedpaartjes in ons land”, vertelt Geelen. „Nu zijn het er vele duizenden. Dat vinden wij prachtig, maar het is wel heel paradoxaal: de reden zijn de veel zachtere winters. Die zijn natuurlijk totaal niet de bedoeling van Moeder Natuur, maar dit is een bijeffect waar wij dan maar van genieten.”

Ondanks zijn naam houdt de ijsvogel namelijk helemaal niet van kou. De verklaring voor zijn naam zit hem waarschijnlijk in het feit dat de vogels zich in strenge winters massaal verzamelen bij wakken. Dan zijn ze voor mensen makkelijker te zien. „Bij twee, drie weken strenge vorst gaan ze bijna allemaal dood”, zegt Van Loenen. „Want ze hebben open water nodig om hun visjes te kunnen vangen. Naar het zuiden trekken doen ze nauwelijks. Als het plotseling gaat vriezen, wordt de populatie in één klap gedecimeerd.”

Hoe kan het dan dat ze het toch redden in onze streken? „Dat komt door hun voortplantingsstrategie”, antwoordt Van Loenen. „Ze kunnen wel vier legsels per jaar hebben, met tot wel zeven jongen per legsel. In theorie dus 28 nakomelingen per jaar. Daardoor kan de populatie zich ook heel snel weer herstellen. Er zijn er altijd wel een paar die de kou overleven.”

Zoom in

Zoom in

Foto’s Corné van Oosterhout/ijsvogels.nl

De zon komt tevoorschijn en geeft een gouden glans aan de laatste herfstkleuren van het jaar. We speuren met onze kijker de rietkragen af, en ook de takken die de oude beuken boven het water laten hangen. „En, hebben jullie hem al gezien? Zit ’ie er?”, vraagt een voorbijganger op de brug, die onze verrekijkers ziet. Waar zou hij op doelen? Dat kan hier van alles zijn. „De ijsvogel! Die zit hier altijd”, verduidelijkt de man enthousiast.

„Oh, zien jullie hem? Waar zit hij dan?”, vraagt een andere passant die net komt aanlopen en blijkbaar het woord ‘ijsvogel’ opving. „Nee, nee, we zijn nog hard op zoek”, antwoordt Geelen. „Succes!”, luidt het joviale antwoord. Geelen, als iedereen weer is doorgelopen: „Zo leuk, hè: werkelijk iedereen vindt ijsvogels leuk.” Van Loenen: „De ijsvogel brengt mensen bij elkaar.”

Het is een vogel waar je „blij en gelukkig” van wordt, merkt ze op. „Mensen die dat gevoel niet kennen, die benijd ik niet.” Heel veel mensen in Nederland hebben nog nooit een ijsvogel gezien, weet Geelen. „Ik tref ze weleens in een vogelkijkhut. Dan doe ik even extra mijn best om een ijsvogel voor ze te vinden. En als dat dan lukt, en ik ze door mijn kijker laat kijken, dan zie je ze naar adem happen. Fantastisch om mee te maken.” Van Loenen: „Het is een troost tegen alle ellende in de wereld.”

Reigersnavel

Maar vandaag zit hij er dus mooi niet, hier in het park. We lopen een eindje door, naar een kijkwand van wilgentenen die is neergezet op een heuveltje. In de kijkwand zit een gleuf die uitzicht biedt op het achterliggende water. „Hier om de hoek broeden ieder jaar ijsvogels”, weet Van Loenen. „In de oever van de beek, maar je kunt het hiervandaan niet zien.”

Natuurlijke nestelplekken zijn in Nederland in de loop der tijd schaars geworden. IJsvogels hebben verticale wandjes nodig waarin ze hun nestgangen en -holten kunnen uitgraven. Bijvoorbeeld steil afgeslagen rivieroevers, of de schijven van zand en wortels die ontstaan wanneer een grote boom omwaait. Maar rivieren werden rechtgetrokken en bedijkt en dode bomen veelal opgeruimd. „Tegenwoordig zie je op steeds meer plekken kunstmatig aangelegde wandjes”, vertelt Geelen. „Die werken prima. Je ziet er vaak meteen ijsvogels bij.” De wandjes zijn gemaakt van hout of beton met gaten erin, en daarachter stevig zand. Liefst een flinke hoeveelheid, want de nestgangen, elk met aan het eind een nestholte, zijn soms wel een meter lang. Van Loenen: „Precies zo lang dat een reiger niet met zijn snavel bij de jongen kan komen.”

Natuurlijke nestelplekken zijn in Nederland in de loop der tijd schaars geworden.

Natuurlijke nestelplekken zijn in Nederland in de loop der tijd schaars geworden.

Foto Corné van Oosterhout/ijsvogels.nl

Zoom in

Spanning

Geelen en Van Loenen groeiden allebei niet op als vogelaar; wel als natuurliefhebber. „Ik wilde altijd dierenarts worden”, vertelt Geelen. „Maar daar bleek ik te stom voor.” Beiden lachen hartelijk. „Ja, ik kan niet anders zeggen. En als je het dan niet meer weet, ja, dan ga je dus de journalistiek in.” Weer die stereolach. „Toen ik de School voor Journalistiek deed, woonde ik in huis met jongens die biologie deden. Die namen mij mee naar buiten. Ik heb zo’n beetje het laatste wilde korhoen gezien, op de heide van Kampina in Brabant.” Hij is even stil. „Maar uiteindelijk is het me toch gelukt om die ouwe dierenliefde te verweven met mijn journalistiek.”

Lees ook

De ijsvogel is makkelijk te fotograferen, zegt deze natuurfotograaf

De ijsvogel is makkelijk te fotograferen, zegt deze natuurfotograaf

Van Loenen was als kind al dol op dieren. „Ik zag altijd als eerste reeën en konijnen. Ik had heel goeie ogen.” Geelen: „Die heeft ze nog steeds.” Van Loenen: „Maar de schoolbiologie was een desillusie. Daar kwam geen dier in voor. Dus dat vak heb ik meteen laten vallen. En toen kwamen mijn wilde jaren.”

Het kwam pas weer goed toen Van Loenen en Geelen elkaar leerden kennen en samen naar buiten gingen, de eerste tien jaar „gewoon als vrienden” – inmiddels zijn de twee een stel. Van Loenen: „Wij vonden elkaar totáál op natuurvlak. Ik had geen andere vrienden die naar vogels keken. En hij kan wandelen in stilte, wat ik ook heel fijn vind.” Van een van haar eerste salarissen kocht Van Loenen een vogelboek. En van Geelen leerde ze de fijne kneepjes in het veld.

De zon zakt weg achter de bomenrij. De tijd is op. Het is ons niet gelukt vandaag een ijsvogel te zien. „Maar eigenlijk is dat niet zo erg”, relativeert Van Loenen. „Alleen al het idéé dat hij hier elk moment voorbij kan vliegen, voegt iets toe aan zo’n landschap. Het geeft een soort spanning aan elke wandeling.” Geelen: „En het blijft wel natuur, hè. Geen dierentuin. Het zou ook niet leuk zijn als het voorspelbaar werd.” Van Loenen: „Des te leuker als je er wél een ziet. Ik denk dat ik mij bijna al mijn ijsvogels nog kan herinneren. Ook al worden het er steeds meer.”

Saskia van Loenen en Jean-Pierre Geelen schreven een „eerbetoon aan het blauwe wonder”.

Saskia van Loenen en Jean-Pierre Geelen schreven een „eerbetoon aan het blauwe wonder”.

Foto Nienke Beintema

Zoom in

Geef cadeau

Deel

Mail de redactie

NIEUW: Geef dit artikel cadeau
Als NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Waarom je NRC kan vertrouwen