Het is niet per se onverdraaglijk om Maarten van Rossem op tv te zien, maar ik merk dat ik het toestel wel na zo’n vijf seconden uitzet. Het is de minachtende toon, die in de loop van de jaren zijn huismerk is geworden, over zowat alles. Maar dat ik 1 december toch langer bleef kijken naar Pauw & de Wit met van Rossem als gast, was te danken aan het onderwerp: Suriname, de vergiffenis die de koning ter plekke vroeg aan de nakomelingen, die getekend zijn door slavernij en kolonialisme: en die vergiffenis werd de koning ook geschonken door verschillende Surinaamse groepen.

 Ik bleef ook kijken, omdat ik op het punt sta naar Suriname af te reizen, niet in het voetspoor van de koning, maar gewoon voor bezoek aan mijn schoonfamilie.

 Ik luisterde daarom langer dan gewoonlijk naar van Rossem, die, zoals hijzelf zei „wordt betaald voor de contramine”. Ironisch zelfinzicht en meteen een stevig businessplan. Tegenover hem strafadvocaten Gerard Spong en Gerald Roethof, beiden met een Surinaamse achtergrond. Van Rossem veegde de vloer aan met al die „godvergeten excuses voor de ellende in de wereld”, allemaal symbolische verklaringen, dus onbelangrijk; je kon alleen spijt hebben van iets waarvoor jezelf verantwoordelijk was. Toch fijn dat er een man als Willy Brandt heeft bestaan (1913-1992), de voormalige Duitse politicus, die zich voor en tijdens de oorlog fel verzet had tegen het naziregime. Hem trof persoonlijk geen blaam. Toch maakte hij als Duitse bondskanselier in 1970 zijn befaamde, symbolische (!) knieval bij het voormalige getto van Warschau, namens de Duitse regering.

Spong en Roethof spraken over slavernij als misdaad tegen de menselijkheid, en die verjaren niet. Roethof voegde daar nog aan toe dat de Surinamers die het betrof zich tot op de dag van vandaag vaak de mindere voelen van de „blanken”, zoals hij zei. Jeroen Pauw noemde ze snel „witte mensen”, want de interetnische etiquette is niet eenvoudig.

 Na afloop van het programma bleef het begrip ‘minachting’ in mijn hoofd rondspoken: niet alleen dankzij van Rossem, maar ook omdat ik het interview had gelezen met de Franse socioloog François Dubet in de Volkskrant van 29 november, die een essay schreef over minachting, want „met het trumpisme (is) de minachting de dominante sociale en politieke emotie geworden”.

Minachting wordt nu ervaren als individuele krenking, niet langer als uitkomst van sociologische verhoudingen

 Nieuw is die emotie niet, volgens Dubet, al werd ze vroeger groepsgewijs beleefd: de bourgeoisie minachtte de arbeiders (en omgekeerd), de stadbewoners de boeren, de mannen de vrouwen, et cetera. Wat wel veranderde is de vorm: de minachting wordt nu ervaren als individuele krenking, niet langer als uitkomst van sociologische verhoudingen. En die minachting wordt ook weer individueel gewroken. Eén persoon achter de computer kan een granaat aan minachting het publieke domein in gooien.

 Ik moest weer denken aan de slavernijperiode: de slaafgemaakten moesten eerst collectief ontmenselijkt worden – dat gaat veel verder dan minachting. Maar in de nasleep, ook lang na afschaffing van de slavernij, was minachting het wisselgeld om witte superioriteit en zwarte en gekleurde onderdanigheid veilig te stellen. En minachting vreet in: voordat je het weet is het een karaktereigenschap geworden, een individuele eigenaardigheid, van degene die minacht, en ook van die geminacht wordt.

Daarom vroeg de Nederlandse koning vergiffenis, als deel van de Nederlandse regering, en als nazaat van de Oranjes.

Vergiffenis moet je geschonken worden door de benadeelden.

De koning werd er niet kleiner van, maar de vergiffenisschenkers wel groter. De winst van de ene partij betekende nu eens niet automatisch het verlies van de ander. Zo begint de ontmanteling van minachting.

Geef cadeau

Deel

Mail de redactie

NIEUW: Geef dit artikel cadeau
Als NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

De journalistieke principes van NRC