Jenthe Kluyt ziet het al helemaal voor zich. Als de vijftienjarige vwo-scholier over anderhalf jaar klaar is met school, gaat ze naar een Amerikaanse universiteit. Ze zal er gaan studeren, dat zeker ook, „keihard studeren” zelfs, al heeft ze nog geen idee wat precies en, zegt ze, eigenlijk haar maakt dat ook niet zo uit. Ze gaat voor iets anders: het hockey.
Daarom zit ze op een woensdagochtend begin december in haar keepersoutfit in het clubhuis van ’s-Hertogenbosch. Buiten rennen tientallen speelsters over het veld, allemaal dragen ze een blauw of paars shirt met een rugnummer. Allemaal hebben ze dezelfde droom als Kluyt: als hockeyster met een beurs naar een Amerikaanse universiteit. En allemaal hopen ze daarom indruk te maken op de scouts en coaches van 35 Amerikaanse universiteiten die vanaf de tribune alles wat de speelsters doen in de gaten houden en noteren op hun notitieblokje, iPad of laptop.
Ze weten dankzij de rugnummers en kleuren precies wie wie is: in een groot bestand staan de profielen van de speelsters, met daarin niet alleen hun posities en kwaliteiten, maar ook schoolcijfers. Want de universiteiten willen niet alleen goede speelsters, zegt Paul de Koning, die de ‘showcase’ georganiseerd heeft: „Ze willen geen feestbeesten, maar studentes die ook in de klas presteren.”
Toen hij in 2007 naar Brooklyn ging om aan een universiteit te voetballen en te studeren, moest hij alles zelf regelen. . Dat moest simpeler kunnen, bedacht hij, en in 2015 hielp hij met de eerste twee Nederlandse studenten aan een sportbeurs bij een Amerikaanse universiteit. Inmiddels begeleidt dat bedrijf jaarlijks 250 jonge Nederlanders iets dat ze tot voor kort wellicht kenden uit series en films, maar dat zelden tot hun eigen mogelijkheden leek te behoren: een leven als sportstudent op een Amerikaanse campus.
Honderden talenten
Precieze cijfers ontbreken, maar zeker is dat steeds meer Nederlandse scholieren voor zo’n pad kiezen. Naast Kings Talent is er nog een handjevol professionele organisaties dat jaarlijks honderden talentvolle scholieren werft, begeleidt en helpt aan een plek op een Amerikaanse universiteit en in een sportteam. De hoogte van toegekende studiebeurzen hiervoor variëren van zo’n 20.000 euro tot wel een ton. De meeste talenten voetballen of hockeyen, maar er zijn ook zwemmers, roeiers, golfers, tennissers, basketballers, volleyballers en een enkeling die lacrosse speelt.
Waarom willen Nederlandse scholieren zo graag in Amerika gaan sporten en studeren?
Timo Jansen droomde niet van Amerika, maar van de Arena. Opgegroeid in Oegstgeest werd hij als twaalfjarige gescout door Ajax en zes jaar lang voetbalde hij er in de jeugd. Hij had talent en speelde met onder meer Jorrel Hato, die afgelopen zomer aan Chelsea werd verkocht, maar was ook . Toen hij voor het tweede seizoen op rij in de onder 17 speelde en eindexamen deed, vroeg zijn vader: is Amerika niet iets voor je? Via een agentschap kwam hij in contact met twee Nederlanders die in voetbalden, in Californië. Zij zaten tijdens een videogesprek op het strand en vertelden dat hun huis een zwembad had. Jansen: „Toen dacht ik wel: misschien is dit een goede optie.”
De faciliteiten hier zijn beter dan bij Ajax
Timo Jansen
voetballer Rutgers University
Ruim drie jaar later loopt hij op een koude herfstdag door het sportcentrum van de Rutgers University in New Brunswick, een stadje op een uur treinen van Manhattan. Topfitte studenten in trainingspakken lopen af en aan. Een luidruchtig lacrosseteam komt voorbij, flinke kerels die voordat ze het krachthonk induiken een paar keer blaffen als vechthonden en wat yells . Tegenover het gebouw staat het footballstadion waar zo’n vijftigduizend mensen in kunnen – en bij de meeste wedstrijden zitten die er ook. Aan de andere kant ligt het voetbalstadion, dat met één tribune van plastic banken minder indrukwekkend is.

Timo Jansen in actie tegen Penn State University.
foto Rutgers Athletics
Zoom in
„Maar de faciliteiten hier zijn beter dan bij Ajax”, zegt Jansen. Hij laat het trainingsveld zien: een puike grasmat met de tactische krijtlijnen die je ook bij topclubs ziet. Daarachter ligt een opblaasbare indoorhall die in Nederland alleen de jeugdopleiding van Ajax een tijdje had, tot-ie bij een storm instortte. Binnen heeft elk team een eigen kleedkamer, in een lange hal met tientallen kluisjes. Jansen wijst naar een luikje: daar legt hij na de training zijn vuile kleding in, de volgende ochtend ligt er dan een schone outfit klaar in zijn kluisje. Hij en zijn teamgenoten krijgen sportmaaltijden mee en bonnen om in gezonde restaurants te eten. Alle data van trainingen en wedstrijden worden bijgehouden en geanalyseerd, er is een professionele video-analist.
Leven als een prof
In New Brunswick leeft hij dan ook als een prof. Het ritme van zijn leven is er niet eens heel anders dan bij Ajax, zegt hij. ’s Ochtends traint hij, ’s middags studeert hij. Maar alles eromheen is wél anders. Dat begint al bij het voetbal zelf. Tijdens het seizoen, dat vier maanden duurt, speelt hij op dinsdag en vrijdag. „Soms vliegen we de ene week naar Michigan en volgende naar Californië en spelen we tussendoor een thuiswedstrijd.”
En tijdens die wedstrijden rent hij zich rot. „Het voetbal is minder tactisch, maar veel intensiever.” Dat komt ook doordat in de studentencompetitie onbeperkt mag worden gewisseld. „Soms wordt er iemand ingebracht die alleen maar de opdracht krijgt om een kwartier lang heel hard druk te zetten. Of je speelt in de tweede helft ineens tegen acht andere, fitte spelers.” „Want als je cijfers niet goed zijn, speel je niet. Dus zit je op het vliegveld of je hotelkamer in de boeken.”
Rutgers behoort tot de beste collegeteams van het land, in vrijwel elke sport. En precies daarom wilde Jansen er graag in zijn vierde en naar toe. In Santa Barbara had hij een „hele leuke tijd”, maar het voetbalniveau viel tegen. Na anderhalf jaar bij een universiteit in Albany, in het noorden van de staat New York, belandde hij begin 2025 bij Rutgers. „Ik had drie goede seizoenen gespeeld en veel gescoord. Daar kijken ze hier héél erg naar, daarom ben ik ook wat aanvallender gaan spelen dan in Nederland. En ik wilde naar een team waar ik een goede kans maak om door te stromen naar het profvoetbal.”
Na de kerstvakantie, die hij bij familie en vrienden in Nederland doorbrengt, gaat Jansen op zoek naar een profclub, omdat zijn tijd bij Rutgers er komend voorjaar op zit.
Onrealistisch is dat niet. werden de afgelopen jaren vanuit universiteitsteams opgepikt door clubs uit de Major League Soccer, het hoogste voetbalniveau in de VS. Paul de Koning begeleidde ze allebei; eentje had ervaring bij FC Utrecht, de ander kwam van een amateurclub. Of neem zwemmer Nyls Korstanje, die eerst de Amerikaanse universiteitskampioenschappen won en uiteindelijk medailles pakte op EK’s en WK’s.
Uithangbord
hockeyster Kluyt hoopt vooral dat haar Amerikaanse tijd helpt om in Nederland ergens eerste keepster te worden. „Ik ben zeventien als ik klaar ben bij de jeugd, dan word je hooguit ergens tweede keeper. Maar als ik in de VS klaar ben, ben ik 21, ervaren en heb ik een diploma.” Ook Jansen zegt: „Ik ben jong en straks afgestudeerd, maar kan het ook nog proberen als prof. Ik heb mezelf daarvoor drie jaar de tijd gegeven.”
Maar waarom willen Amerikaanse universiteiten eigenlijk zo graag Nederlandse sportstudenten aantrekken? College sports zijn in de VS enorm, zegt De Koning. „Het is het uithangbord van een universiteit. Ze willen . Daarom willen ze ook de beste spelers aan zich binden en reizen coaches de hele wereld over op zoek naar spelers die bij hun team passen.” Op de campus van Rutgers denkt Jansen even na en zegt dan: „Het gaat om prestige.”
Langs de rand van het hockeyveld in Den Bosch kijkt Shannon LeBlanc naar de trainingen. Al 25 jaar coacht ze het dameshockeyteam van UMass Lowell, een grote universiteit in de staat Massachusetts. Ze is voor de „zevende of achtste keer” naar de showcase van De Koning gekomen. Elk jaar weet ze dat een aantal van haar speelsters zal afstuderen en dus vervangen moet worden. Daarvoor kijkt ze over de hele wereld, maar vooral in Nederland; in haar huidige team zitten vier Nederlanders.
„Zij hebben vaak gewoon de kwaliteiten die we zoeken”, zegt LeBlanc. Field hockey is in de VS veel minder populair dan ijshockey, terwijl Nederland tot de wereldtop van het veldhockey behoort. „Talent is het belangrijkste. Maar als ik een goede speelster zie, kijk ik direct daarna naar haar schoolprestaties. Als die ook goed zijn, gaan we in gesprek. Ik wil karakter bij ze zien, de absolute wil om uit te blinken op het veld en in de klas. Ze moeten growth minded zijn.”
Mentaliteit. Doorzettingsvermogen. De wil om te winnen. Dat is precies waar de zeventienjarige Julia van ’t Hoff naar snakt. In Nederland, zegt haar moeder Suzanne tijdens de lunchpauze, moet hockey vooral léuk zijn. Maar zij wil winnen. „Echt winnen”, zegt Julia, die nu in de derde klasse hockeyt bij een Zeeuwse club. Een vriendin sport en studeert al in Amerika en diens verhalen inspireren haar. „Sindsdien zijn haar schoolcijfers flink verbeterd”, zegt moeder Suzanne over haar dochter. Julia knikt. „Het idee dat ik naar Amerika kan motiveert me enórm. Het lijkt me supergaaf.”
Gratis is het allemaal niet: ouders betalen „een paar duizend euro” om hun zoon of dochter door zijn bedrijf door het hele aanmeldingstraject te laten loodsen, zegt De Koning. Als een universiteit en speelster „gematcht” zijn, volgt een heel proces met aanmelding, beurzen en visa. Van de immigratiebeperkingen die president Trump heeft opgelegd „merken we niks”, zegt De Koning. „Ouders hebben er wel meer vragen over dan voorheen, maar voor studenten is er eigenlijk niets veranderd.” Ook van de extra screening van sociale media op politieke boodschappen die de regering had aangekondigd, zegt hij niks te merken. „Die screening van sociale media vond vóór Trump ook al plaats.” Ook Jansen zegt dat de politieke context het leven niet veranderd heeft. „En het gaat er in de kleedkamer eigenlijk nooit over.”
Speeddate
Aan het einde van showcase schrijven de scouts en coaches op briefjes met welke speelsters ze in gesprek willen. Ongeveer de helft van de ruim zestig deelnemers wordt voor zo’n ‘speeddate’ uitgenodigd, om kennis te maken.
Kluyt en Van ’t Hoff zitten daar niet bij. „Maar op een lager niveau zijn misschien nog wel kansen”, zegt haar moeder een dag later. Daar had ze al aanbiedingen gekregen van kleinere universiteiten, waaronder eentje „in the middle of nowhere in Tennessee” – maar Van ’t Hoff wil dichtbij een grote stad: „ik wil iets van de wereld zien.” En als ook dat niet lukt? „Dan wil ik naar de pabo of studeren voor verpleegkundige.” Ook Kluyt maakt zich weinig zorgen: ze heeft heel het volgende schooljaar nog voordat ze in augustus 2027 in Amerika bij een universiteit wil beginnen. „Hoe vroeger hoe beter, maar volgend jaar heb ik een nieuwe kans.”
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
De journalistieke principes van NRC