Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevat
meningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groep
redacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer een
handvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Het wás ooit een mooie traditie, op naar een nieuwe. Eén die hopelijk niet, zoals de afgelopen decennia, elke eerste dag van het nieuwe jaar begint met een opsomming van het aantal doden, gewonden en aangevallen hulpverleners, en de hoeveelheid branden en overige schade.
Want ja, het siervuurwerk kon prachtig zijn. Die ene bloemfontein, de goudenregens in de lucht. De ohs en ahs als de wijk oplichtte door pijlen en peonies. Maar het is terecht dat het chronische gebrek aan normbesef, van een toch grotere groep burgers dan je zou hopen, leidt tot een vuurwerkverbod dat dit jaar moet ingaan.
Vuurwerk is synoniem geworden voor overlast en ongelukken, voor politie, brandweer en artsen die opzien tegen een „horrornacht”, en voor buren die de straat niet meer op durven om elkaar een ‘gelukkig nieuwjaar’ te wensen. De steeds strengere regelgeving – eerst over het geluid, daarna over afsteektijden, daarna over het soort vuurwerk dat mocht worden afgestoken – heeft het aantal incidenten wel verminderd, maar onvoldoende om het tij echt te keren.
Als alleen al het aantal onnodige vuurwerkgewonden door een verbod daalt, is dat winst.
De politie geeft aan dat handhaving in elk geval makkelijker wordt. Het onderscheid tussen knallend F2-vuurwerk (dat u woensdagnacht nog hoorde) en F3- of F4-vuurwerk (dat al was verboden) was niet te maken. Het was bovendien een onbegrijpelijk staaltje overheidslogica dat er gemeentelijke afsteekverboden of vuurwerkvrije zones waren, terwijl vuurwerk drie dagen per jaar voor elke particulier om de hoek bij de fietsenwinkel te koop was. Komende jaarwisseling is élke knal verboden.
Het is ook te hopen dat de politie gelijk krijgt dat als de cultuur van het zelf afsteken verdwijnt, de vraag naar illegaal zwaar vuurwerk verdwijnt en daarmee de jaarronde beschikbaarheid van bijvoorbeeld Cobra’s. Dat de vanzelfsprekendheid en het gemak afneemt waarmee mensen de grens overgaan of sociale media gebruiken om vuurwerk te kopen dat in Nederland verboden is. Dat de handel in illegaal vuurwerk, een nevenactiviteit van de georganiseerde criminaliteit, daardoor niet meer lucratief blijkt. Waardoor volgens de politie ook het aantal aanslagen bij woningen en bedrijven zal verminderen.
Dat vraagt wel om gerichte grenscontroles én eenduidige Europese afspraken. De productie van het zwaarste knalvuurwerk vindt in landen als Italië en Albanië plaats, in Polen en Tsjechië is in tankstations en op markten te koop wat hier al lang illegaal is. De urgentie voor strengere regels wordt minder gevoeld – in andere Europese landen zijn het deskundigen die vuurwerk afsteken, niet gewone consumenten. Zeker geen minderjarigen.
Grote vraag is of een vuurwerkverbod gaat helpen de anarchie tijdens de jaarwisseling te beteugelen. Op te veel plekken in het land zijn het plukjes raddraaiers onder invloed die voor onrust zorgen
De winstwaarschuwing is dat het wellicht nog jaren kan duren voor Nederland vuurwerkvrij is. Net zoals bij het gordelgebod in de auto (1975 voor de bestuurder en bijrijder, 1992 voor passagiers achterin) zal er altijd een groep ontduikers zijn. Maar hopelijk zal ook nu de meerderheid zich houden aan iets dat de samenleving veiliger maakt.
Grote vraag is of een verbod gaat helpen de anarchie tijdens de jaarwisseling te beteugelen. Op te veel plekken in het land is het immers niet het vuurwerk dat tot overlast zorgt, maar zijn het plukjes raddraaiers onder invloed van alcohol en drugs. Zij menen dat het „lollig” is om politie, brandweer en ambulancepersoneel aan te vallen, vinden dat zij zich één dag per jaar mogen misdragen. Dat is absurd.
Het vuurwerkverbod is er nog niet. Eerst moet aan drie voorwaarden worden voldaan, die de Tweede Kamer heeft geëist. Daarvan is „een nette compensatie” voor de vuurwerkbranche, zoals de staatssecretaris voor Milieu het noemde, de makkelijkste. Er zijn sinds de vuurwerkramp in Enschede (2000) geen producenten meer, de sector bestaat uit verkopers van wie makkelijk moet na zijn te gaan of zij het hele jaar of alleen gedurende drie decemberdagen vuurwerk verkopen, en wat zij aan omzet missen.
De andere twee voorwaarden zijn ingewikkelder: groepen burgers moeten samen wél vuurwerk kunnen afsteken in een stichting of club. Maar hoe zij aan vuurwerk komen (en dat vervolgens veilig ergens kunnen opslaan), is onduidelijk. Hoe zij moeten voldoen aan de veiligheidscertificatie die van professionele pyrotechnici wordt vereist, ook. En op welke gronden een burgemeester dan een ontheffing moet verlenen – de derde voorwaarde – is eveneens onduidelijk.
Dat vraagt van het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat zorgvuldigheid én haast. Het mag niet zo zijn dat over twaalf maanden onduidelijk is waar Nederland in de oudejaarsnacht staat.
Want duizenden lokale gemeenschappen moeten de kans hebben een nieuwe traditie te vinden, liefst een die niet door de overheid is opgelegd. Een traditie moet passen bij het dna van een dorp of buurt. Dat kan een vuurwerkshow zijn door een lokale club met ontheffing of door professionele pyrotechnici, een droneshow, concert, feest, carbidschieten of vreugdevuren. Of zelfs helemaal niets. Als het voor het gevoel de overgang van het nieuwe jaar maar kracht bij zet – zonder gewonden.
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
De journalistieke principes van NRC