{"id":6342,"date":"2025-09-27T03:20:08","date_gmt":"2025-09-27T03:20:08","guid":{"rendered":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/6342\/"},"modified":"2025-09-27T03:20:08","modified_gmt":"2025-09-27T03:20:08","slug":"potgrond-is-slecht-voor-het-milieu-wageningse-onderzoekers-komen-nu-met-een-duurzaam-alternatief","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/6342\/","title":{"rendered":"Potgrond is slecht voor het milieu. Wageningse onderzoekers komen nu met een duurzaam alternatief"},"content":{"rendered":"<p>Planten gaan lekker op potgrond. Het zwarte goud voor telers en tuinliefhebbers is dan ook bij iedere winkel te koop. Het veen dat vaak de basis vormt van het mengsel, is echter slecht voor het milieu. <\/p>\n<p>Reden genoeg voor de afdeling Glastuinbouw van Wageningen University &amp; Research om duurzame alternatieven te zoeken. Biochar, een soort houtskool, zou een goede vervanging zijn. Maar is het wel zo gemakkelijk?<\/p>\n<p>Potgrond bestaat uit een mengsel van veen met andere natuurlijke materialen, zoals boomschors, kokossnippers, zand, compost, mest, perliet of kalk. Aangezien veen een basisingredi\u00ebnt is, gaat het in Nederland om aanzienlijke hoeveelheden. \u201cConsumenten en telers gebruiken bij elkaar 5 miljoen m\u00b3 veen per jaar om planten in te laten groeien\u201d, <a href=\"https:\/\/www.wur.nl\/nl\/nieuws-wur\/show\/de-zoektocht-naar-circulaire-potgrond-voor-teler-en-tuinliefhebber.htm\" rel=\"nofollow noopener\" target=\"_blank\">vertelt<\/a> Chris Blok, onderzoeker plantenvoeding en wortelmedia van Wageningen University &amp; Research. Om dat in perspectief te zetten: 5 miljoen kubieke meter veen staat gelijk aan 2000 olympische zwembaden. Of vijf keer de Amsterdam ArenA tot de nok toe gevuld.\u00a0<\/p>\n<p>Milieueffecten veengebruik<\/p>\n<p>Veen voor potgrond komt uit landen als Ierland, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Zweden en Finland. Veenmoerassen slaan grote hoeveelheden koolstof op, wat ze belangrijke klimaatbuffers maakt. Het afgraven van veen verlaagt de waterstand. Het overgebleven drogere veen oxideert, waarbij de plantenresten in het veen worden afgebroken. De opgeslagen CO2 komt vrij, wat bijdraagt aan klimaatverandering.\u00a0<\/p>\n<p>Bestaande alternatieven, zoals kokosgruis, kunnen niet alle veen op de markt vervangen. Volgens Blok is daar simpelweg te weinig van beschikbaar. Samen met collega\u2019s en potgrondbedrijven zoekt hij daarom naar andere materialen om het veen in de mengsels te vervangen, maar dat is niet makkelijk. \u2018\u2019Dat is een zoektocht, want de grond moet aan veel eisen voldoen. We kijken naar twintig eigenschappen in detail, maar we weten dat er op nog veel meer eigenschappen gecontroleerd kan worden. Denk aan de aanwezigheid van zware metalen, ziektes die planten, mensen of dieren kunnen treffen, gewasbeschermingsmiddelen en de mate waarin de grond water vasthoudt\u2019\u2019, legt Blok uit.<\/p>\n<p>Zoektocht naar vervangers<\/p>\n<p>Blok dook in de wetenschappelijke literatuur en stelde een lijst op van ongeveer 130 mogelijke vervangers voor veen. De meeste kandidaten vielen snel af: ze waren niet in grote hoeveelheden beschikbaar of hadden flinke nadelen. \u2018\u2018In het verleden zijn bijvoorbeeld materialen als plastic en autobanden onderzocht, is as uit huisvuilverbranding bestudeerd, wat licht radioactief is en is de bast van varens beoordeeld, waarvoor de varens uit het oerwoud gekapt werden.\u201d Zulke opties verdwenen meteen van de lijst. Blok richtte zich op materialen die je in grote volumes kunt maken, minstens 100.000 kubieke meter per jaar. \u201cZo\u2019n nieuwe grondstof is pas na verschillende voorbewerkingen geschikt om in potgrond te mengen. Dat vergt grote investeringen in techniek. Pas bij een grote hoeveelheid wordt het financieel interessant om een fabriek te bouwen.\u2019\u2019<\/p>\n<p>Biochar<\/p>\n<p>Een van de materialen die Blok testte is biochar, een licht, zwart poeder dat vooral uit koolstof en as bestaat. Het wordt al in verschillende fabrieken gemaakt, alleen niet voor potgrond. De grondstof komt uit de houtindustrie. Het zijn restjes hout die overblijven bij het maken van planken of meubels. Als het hout kort op een temperatuur van boven de 500 graden wordt verhit zonder zuurstof blijft er een fijn materiaal over. Nu wordt dit voor een deel ingezet bij de productie van staal. Toch blijft er veel biochar over, maar veel daarvan is voor toepassing in potgrond niet geschikt. Blok legt uit: \u201cHet materiaal is soms zo fijn dat het stof vormt. Bovendien kan het proces van verhitten ook leiden tot een materiaal dat giftig is voor planten. Dit zijn voorbeelden van biochar die we dus niet kunnen gebruiken voor potgrond.\u201d<\/p>\n<p>Blok en zijn collega\u2019s brachten daarom eerst in kaart aan welke eisen de productie van biochar voor potgrond moet voldoen. Ook moesten ze de hoeveelheid toegevoegde meststoffen in de potgrond aanpassen. \u201cVroeger ging de sector uit van vaste verhoudingen van meststoffen, maar nu moeten we dat per grondstof opnieuw berekenen.\u201d Het project met biochar heeft geleid tot mengmodellen. Daarmee kunnen producenten de gewenste eigenschappen van hun potgrond invoeren en automatisch berekenen welke combinaties van materialen het beste resultaat geven.\u00a0<\/p>\n<p>Kost tijd<\/p>\n<p>Volgens Blok kan biochar een goed alternatief zijn voor veen in potgrond. Maar dat wil niet zeggen dat dit ingredi\u00ebnt binnenkort in de zakken bij het tuincentrum zit of dat alle telers er direct mee aan de slag gaan. De markt pakt het nog niet gemakkelijk op, ziet hij. \u201cMet biochar gaat die laatste stap niet vanzelf. Er zijn nog bedenkingen over de veiligheid bij het verwerken, de prijs en de leveringszekerheid.\u2019\u2019 Om daar iets aan te doen is een volgende stap in het onderzoek nodig. Hij denkt aan teeltproeven in samenwerking met telers en producenten van biochar en potgrond. Uit die proeven moet duidelijk worden wat er nog nodig is om de markt enthousiast te krijgen.\u00a0<\/p>\n<p>Ondertussen houden Blok en zijn collega\u2019s de blik breed en zoeken ze naar allerlei alternatieven die samen veen kunnen vervangen op de markt van de potgrond. Een verrassende ontwikkeling deed zich voor bij partner Den Ouden Organis, waarmee Blok samenwerkte binnen het biochar-project. Bij dit bedrijf begonnen ze zelf op grote schaal te experimenteren met houtvezels. Blok vertelt: \u201cAls je die meecomposteert met groene resten, krijg je betere potgrond. Dit idee is direct door de markt geaccepteerd, ook door andere bedrijven. Dat is mooi om te zien.\u2019\u2019 Volgens de wetenschapper hebben we meerdere alternatieven nodig om veen volledig te vervangen. \u201cElk alternatief helpt, zolang het aan de eisen voldoet en op grote schaal voor een goede prijs te produceren is. We gaan dus door met verschillende materialen, waaronder biochar.\u201d<\/p>\n<p>Toekomstbeeld<\/p>\n<p>\u201cOver vijf jaar is ongeveer de helft van alle potgrond, van alle veen in Nederland, vervangen door alternatieve materialen\u2019\u2019, zo <a href=\"https:\/\/www.youtube.com\/watch?v=wD3OZXwwk7s&amp;t=136s\" rel=\"nofollow noopener\" target=\"_blank\">voorspelt<\/a> Blok in een reportage van Wageningen University &amp; Research. \u201cEn over een jaar of dertig is praktisch alles vervangen.\u2019\u2019 Wel merkt hij op dat het laatste stuk moeilijker is dan het begin. \u201cIn het begin, bij een laag percentage vervanging, zo\u2019n 10 tot 30 procent, is de manier van watergeven en bemesting bijna hetzelfde als met veen. Het is gemakkelijk om over te schakelen op 10 tot 30 procent alternatieven.\u2019\u2019 Wanneer de verhoudingen veranderen wordt het lastiger. \u2019\u2019Ga je nou naar 60, 70, 80 procent dan wordt het belangrijk dat water en bemesting worden aangepast aan het materiaal dat je gebruikt. En om dat te leren is domweg tijd nodig.\u2019\u2019<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"Planten gaan lekker op potgrond. Het zwarte goud voor telers en tuinliefhebbers is dan ook bij iedere winkel&hellip;\n","protected":false},"author":2,"featured_media":6343,"comment_status":"","ping_status":"","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[23],"tags":[48,94,93,46,47,49,45,50,2595],"class_list":{"0":"post-6342","1":"post","2":"type-post","3":"status-publish","4":"format-standard","5":"has-post-thumbnail","7":"category-gezondheid","8":"tag-dutch","9":"tag-gezondheid","10":"tag-health","11":"tag-nederland","12":"tag-nederlanden","13":"tag-nederlands","14":"tag-netherlands","15":"tag-nl","16":"tag-potgrond"},"share_on_mastodon":{"url":"","error":""},"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/6342","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=6342"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/6342\/revisions"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media\/6343"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=6342"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=6342"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.europesays.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=6342"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}